Jezus 2

cultuur

Oud-Hebreeuwse kleding

De oude Hebreeën en met name de priesters dosten zich kleurrijk uit. God gebruikte die kleding als herinnering aan (en als symbool van) de principes en voorschriften die Hij aan Zijn volk had gegeven.

Er zijn drie woorden die algemeen worden gebruikt voor kleding of kledingstukken: bèged, simla en salma. De laatste twee worden vaak beschouwd als varianten van hetzelfde woord, waarbij wordt aangenomen dat de ‘l’ en de ‘m’ ooit zijn omgewisseld. Beide betekenen zoiets als ‘je kleden’. Simla lijkt in Genesis 35:2 te worden gebruikt als een verwijzing naar méér dan alleen kleding, maar alles waarmee het lichaam wordt ‘aangekleed’, zoals oorringen (vers 4). Salma wordt in Psalm 104:2 gebruikt als een omschrijving van God, die ‘gekleed’ is in licht.

De Hebreeën hun gewaden, sjerpen (riemen) en tulbanden gewoonlijk van doek of draad. De meeste kledingstukken werden gemaakt van linnen (met name de priesterkleding) en sommige van wol. Vanwege het verbod in Leviticus 19:19 zullen er weinig kledingstukken zijn geweest die zowel wol als linnen bevatten. Hoewel alleen de rijken zich de veelheid van versieringen konden veroorloven, die in de Bijbel wordt genoemd, droeg vrijwel iedereen een mantel. Het meest algemene type mantel was de ketonet. Dit woord komt van een basiswoord dat ‘bedekken’ betekent en het beschrijft een opperkleed. Het wordt vertaald als ‘jas’ en ‘gewaad’ en het kan zowel naar een basismantel verwijzen als naar een mooi  bewerkt opperkleed. De veelkleurige mantel van Jozef was bijvoorbeeld een ketonet. Ook de mantels van de maagdelijke dochters van de koning (2Sm13:18) waren ketonot. In Js22:21 wordt het woord gebruikt als verwijzing naar eerbiedwaardigheid of een hoge positie. Dit soort mantels werd tijdens het werk of bij het rennen opgebonden (2Kn4:29; 1Kn18:46). Met dit gebruik in gedachten spoort Petrus ons aan om ‘de lendenen van ons verstand te omgorden’ (1Pt1:13).

Een andere mantel die wordt genoemd, is de adèret. Dit is een nogal uniek type. Het woord kan namelijk ook ‘glorie’ of ‘heerlijkheid’ betekenen (Zc11:3). Het werd gewoonlijk gedragen door profeten (Johannes de Doper droeg een ruw soort adèret) en ook Ezau kleedde zich ermee. De New English Translation merkt het volgende op:

Adèret is een kleed dat door profeten werd gedragen, een mantel. Het woord אַדֶּרֶת (adèret) op zichzelf verwijst naar schoonheid en eerbiedwaardigheid (Jz7:21). De uitdossing van een profeet zal iets eenvoudiger zijn geweest, maar ook dan straalde het grote waardigheid uit.

Tenslotte was er nog een algemeen soort opperkleed met de naam me’iel (1Sm18:4). Dit type mantel gaf Jonathan als geschenk aan David.

De lijst van kledingstukken kan worden aangevuld met de gordel of riem die Jonathan aan David gaf. Dat was een bijzonder geschenk, want het ging niet om een normale gordel. Het woord dat hier wordt gebruikt is chaĝor. Een chaĝor beschrijft meestal een dure riem van hoge kwaliteit, die onderdeel uitmaakte van de gevechtsuitrusting (2Sm18:11). Het was een grote eer om er eentje te ontvangen. Het bezit ervan was zelfs een voorwaarde om aan de strijd te mogen deelnemen (2Kn3:21). Dit betekende dat hij verdiend moest worden. Zoals Joab later opmerkte (in 2 Samuël) was het een enorme eer om er een te krijgen – zoals bij David en Jonathan. In een enkel geval wordt het woord gebruikt voor de ‘rokken’ die Adam en Eva maakten om hun naaktheid te bedekken. Ook beschrijft het een versierde gordel, die door rijke vrouwen werd gedragen (Js2:24). Als ik goed heb geteld komt het woord chaĝor 8 keer in de Bijbel voor.

De ezor is een algemeen soort gordel, waarnaar in Jeremia 13 veelvuldig wordt verwezen als onderdeel van de gevechtsuitrusting van Chaldeeuwse militairen. Het beschrijft een sjerp, die vrijwel exclusief werd gebruikt door hoogwaardigheidsbekleders of priesters (Ex28:4,39,40; Js22:21).

Op het Assyrische kunstwerk dat bekend staat als ‘de Zwarte Obelisk van Salmaneser III’ wordt de bijbelse koning Jehu afgebeeld in een kostbare mantel en met een sjerp zoals die door hoogwaardigheidsbekleders werd gedragen. Een ander belangrijk detail op het kunstwerk vormen de gedenkkwasten die aan de franjes van Jehu’s mantel zijn bevestigd – precies zoals God aan de Israëlieten had voorgeschreven als herinnering aan Zijn geboden (Nm15:38-40).

In verband met kleding die van stof werd gemaakt, waren er nog de tulbanden en hoofddoeken. Mannen droegen in  het algemeen een hoofdbedekking van linnen, die als een tulband om het hoofd werd gewikkeld. Deze werd pe’er of livja genoemd. Hetzelfde gold voor rijke vrouwen en voor bruidegoms, terwijl priesters een miĝba’a droegen (Ex28:40; Js3:20,61:10). Pe’er is het meest gebruikte woord voor een tulband. Het beschrijft een om het hoofd gedrapeerde doek, maar wordt ook algemeen gebruikt – voor hoofdbedekking in het algemeen of o een versiering of hoofdsieraad aan te duiden. In de prachtige poëzie van Jesaja 61:3 wordt het ook gebruikt in de betekenis van ‘schoonheid’:

( … ) om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden sieraad (pe’er) in plaats van as, ( … ).

Er zijn nog twee andere woorden die naar een tulband verwijzen: karbela (Dn3:21) en tavoel (Ez23:15). Deze komen ieder slechts eenmaal in de Bijbel voor. De hoofdbedekking voor vrouwen wordt omschreven met de woorden mitpachat (Ru3:15; Js3:22) en radied (Hl5:7; Js3:23); zij verwijzen naar een sluier of sjaal die over het hoofd werd gelegd.

In het laatste deel van dit artikel wil ik het hebben over sieraden. De hele tweede helft van Jesaja 3 (waarnaar hierboven al een paar keer is verwezen) zou een heel nieuw artikel kosten om een goede beschrijving te geven van het grote aantal kledingstukken en sieraden voor vrouwen dat er wordt genoemd. Ik zal hieronder slechts een paar voorbeelden geven. Het is waarschijnlijk de langste opsomming van kleding in de Bijbel die we kennen (hoewel het alleen over kleding voor vrouwen gaat), maar bij voorwerpen die niet in Jesaja 3 voorkomen geef ik een tekstverwijzing.

Als eerste is er de kumaz. Hij werd door Hebreeuwse vrouwen gedragen en lijkt te verwijzen naar een soort ketting of armband, wellicht in combinatie met kralen (Nm31:50, Ex35:22). Een ander algemeen type armband was de rabied; deze term wordt gebruikt voor de armband die aan Jozef werd gegeven. Twee interessante sieraden (een halsketting en de bijbehorende hanger) komen niet alleen voor in verband met vrouwen, maar ook bij kamelen! Blijkbaar versierden de oude volken in het Midden-Oosten hun kamelen uitbundig. Anak beschrijft de halsketting (Ri8:26; Sp1:9) en saharon de interessante hanger in de vorm van een halve maan, die vaak aan de anak bevestigd werd (Ri8:21; Js3:18).

Verder was er een soort armband met de naam tsamied die algemeen door vrouwen werd gedragen (Ez16:11). Dit gebeurde vaak in combinatie met de hierboven genoemde rabied uit Ezechiël 16; hij bevat een rijke beschrijving van Israël. Eveneens in Ezechiël 16 wordt de nèzem genoemd: oorringen of gewone ringen (Ex35:22; Ez16:12), evenals de adi, wat verwijst naar versieringen / juwelen die met name door bruiden werden gedragen. Adi wordt in Ez7:20 veroordeeld omdat er afgoden van werden gemaakt, maar in Ez16:7 wordt hij vermeld als een symbool dat aangeeft dat iemand de volwassen leeftijd heeft bereikt. Tenslotte waren er sieraden die door zowel mannen als vrouwen werden gedragen; allerlei soorten armbanden en (verrassend genoeg – voor mannen) oorringen.

Netyfa was een oorring (Ri8:26; Js3:19) en ets’ada beschrijft een armband. Saul droeg een ets’ada, die hem werd afgenomen toen hij sneuvelde (2Sm1:10). Het woord is verbonden met de term tse’ada, wat ‘marcheren’ betekent. Dit is een abstract beeld voor een ‘armband’, die om de enkel of de pols werd gedragen. Deze tse’ada lijkt dus een algemeen type armband (mogelijk werd hij alleen gedragen door militairen tijdens een veldslag). Het rammelende geluid van de banden werd misschien gebruikt als hulpmiddel om een grote groep militairen in hetzelfde tempo te laten marcheren. In Js3:16 wordt het woord eenmaal gebruikt om te zinspelen op een enkelbandje waarmee een mooie vrouw de aandacht van voorbijgangers probeerde te trekken.

Zoals je ziet tooiden de Hebreeën zich uitbundig met een breed assortiment aan kleding en sieraden. Aan het type kleding dat iemand droeg was de sociale status af te lezen, evenals actuele gebeurtenissen (gehuurde kleding bij rouw en hoofdversieringen bij vreugde) en vaak ook situaties van eer en schaamte. Veel van de gebruikte symboliek heeft met deze situaties te maken en God gebruikt het in Zijn Woord zowel op een positieve als negatieve manier om ons te tonen hoe wij met Hem (zouden) moeten omgaan – en hoe Hij met ons omgaat.

God schildert in Zijn Woord een prachtig beeld van hoe mooi Zijn volk voor Hem is versierd (Ez16). Dit komt ook tot uiting in Zijn bijzondere belofte dat hij ons ‘schoonheid (een hoofdsieraad) in plaats van as’ zal geven en ‘vreugdeolie in plaats van rouw’. Juist dit kleine onderdeel van de wonderlijke geheimenissen van Gods Woord vormt (gedeeltelijk) een vervulling van Psalm 72:19 waar wordt gesproken over een aarde die vol is met Zijn heerlijke beeld, in combinatie met belangrijke feiten voor en door Zijn volk.

Geschreven door Joshua Nielsen. Vertaald uit het Engels door Martin van Dalen.

DEEL DIT ARTIKEL

Martin van Dalen schrijft voor de Bijbelse Cultuur Stichting over de oorsprong en achtergrond van Hebreeuwse woorden. Ook vertaalde hij het spraakmakende boek De Christen en de Farizeeër.

God schildert in Zijn Woord een prachtig beeld van hoe mooi Zijn volk voor Hem is versierd

andere artikelen

Op de hoogte blijven van inspirerende artikelen over de bijbelse cultuur, natuur, archeologie en symboliek?

Reageren

Laat een reactie achter

Interessant artikel?
Blijf op de hoogte, meld je aan voor de gratis nieuwsbrief. We beloven je niet te spammen!
AANMELDEN
Sluit
>
Scroll naar top