Zacheus

Erfrecht in de Bijbel

Het verhaal van JHWH en mensen gaat over een erfenis, die verloren is gegaan maar wordt hersteld door de eerstgeborene, de Erfgenaam. Het is het verhaal van de Losser.

In onze westerse cultuur wordt erfrecht bij wet of bij de notaris geregeld. In vroegere tijden keek men daarbij vooral naar de familie, zeker als het ging om een bedrijf. De oudste zoon was de eerst aangewezene om het bedrijf over te nemen als zijn vader was overleden. Dit werd op zo’n wijze geregeld dat ook de andere kinderen niet werden vergeten.  

In de tijd tussen Abraham en de tijd van de Rechters heeft het erfrecht een ontwikkeling doorgemaakt. Dit had te maken met de overgang van een nomadenvolk naar een volk met eigen grondgebied. In de tijd van Abraham golden dus andere regels dan in de tijd van Jozua, toen de Israëlieten zich in vaste woonplaatsen gingen vestigen. 

De verschillende stamverbanden

In de Bijbel vind je 3 soorten stamverbanden en dan heb je nog te maken met combinaties hiervan:

  1. Het Fratiarchaat, waarbij het gezag wordt uitgeoefend door de oudste broer.
  2. Het Matriarchaat, waarbij de rol van de moeder groot is omdat het bloedverwantschap via haar loopt en dus ook het erfrecht. Deze vorm zie je in de bijbelse verhalen niet veel terug.
  3. Het Patriachaat, waarbij het vaderhuis (‘Bet-Av’ in het Hebreeuws) bepalend is in het leven. Deze vorm komt het meest voor in de Bijbel. De man (de ‘Ba-al’, oftewel: heerser) heerst over de vrouw(en) en kinderen en kleinkinderen, voor zover zij deel uitmaken van de stam. 

In de Bijbel wordt het begrip familie, meestal vertaald met huis (‘beth’). Tot dat ‘huis’ behoren niet alleen familieleden, maar ook slaven, inwonende vreemdelingen (‘gerim’), weduwen en wezen. Er wordt dan ook vaak gesproken over ‘het huis van Abraham’, ‘het huis van Jacob’, ‘het huis Jozef’ etc. Het is één geheel. Ook al wonen de stamleden misschien verspreid over het land, zij behoren tot dezelfde clan (‘mispaha’). Deze clan heeft gemeenschappelijke belangen en verplichtingen en men is zich heel bewust van het bloedverwantschap (‘aqedat’, dit betekent: verbondenen). Je zat als het ware aan elkaar vast. Bloedverwantschap is een heel sterke band.

Toen Lot werd ontvoerd nam Abram zijn verantwoordelijkheid om zijn eigen ‘bloed’ (zijn broer) te bevrijden. Ook al leefde Lot buiten de clan, het bloedverwantschap was er. 

Dit alles is ook van invloed op het erfrecht en de uitvoering daarvan. Aangezien de bijbelse cultuur vooral een patriarchaal stamverband laat zien, zullen we die lijn volgen in de uitwerking van het erfrecht. 

Het losserschap

In dit verband is er een grote rol voor de losser (‘Go’el’). Het Hebreeuwse woord hiervoor komt van de woordstam ‘ga’al’ dat loskopen of opeisen betekent, met daarbij bescherming in het achterhoofd. De losser is er voor de clan, maar ook voor het individu. Zijn belangrijkste taak is het beschermen van het familiebezit. In praktische zin, maar ook in morele zin. Erfopvolging is daar een aspect van. De losser is, in principe, de eerste in de bloedlijn van het stamhoofd (de ‘nasi’, dit betekent hoofd of aanvoerder). Oftewel: de oudste zoon. Er zijn echter uitzonderingen. Ishmaël en Ezau bijvoorbeeld. Zij verloren het eerstgeboorterecht, het erfrecht. Maar zij bleven wel onderdeel van de clan! Hun jongere broer was weliswaar in hun plaats aangesteld als losser, maar zij konden wel op zijn zorg en bescherming rekenen. Toen zij buiten de clan gingen leven en een eigen clan vormden, kregen zij geschenken mee. Het losserschap was hen weliswaar afgenomen maar de bloedband bleef. 

Bij de keuze van de losser gaat het dus niet alleen om wie de eerstgeborene is. Ook zaken als dapperheid, een volwassen omgang met zaken, edelmoedigheid, voorzichtigheid etc. Spelen een rol. Bij het ontbreken daarvan kan iemand anders worden aangewezen als losser. Dit zie je bijvoorbeeld gebeuren in de stam van Jacob, als hij zijn zonen zegent. Ruben, Simeon en Levi worden voorbijgestreefd door Juda.

Als het stamhoofd sterft, wordt de staf (‘matteh’) overgedragen aan de losser als symbool dat hij het nieuwe stamhoofd is. Het woord ‘matteh’ wordt in de Bijbel soms ook vertaald als bed (dit is namelijk ‘mittah’ in het Hebreeuws) maar dat is onterecht: als Jacob de zonen van Jozef zegent doet hij dat niet vanaf zijn bed maar vanaf zijn staf, oftewel: vanuit zijn autoriteit als stamhoofd. 

Het principe van de oudste zoon als losser blijft overeind, ondanks de uitzonderingen. Het is daarom van groot belang dat Israël aan Farao wordt voorgesteld als de oudste of eniggeboren zoon van de Eeuwige. Het volk Israël is uit alle volkeren van de aarde gekozen om een losser te zijn voor de rest van de wereld. JHWH legt de verantwoordelijkheid bij de oudste zoon: Israël dient zorgt te dragen voor het erfbezit van de hemelse Vader.

De losser heeft verschillende taken:

  1. Stamgenoten te verlossen van slavernij (waarin zij waren gekomen vanwege schulden)
  2. Het beschermen van het erfgoed
  3. Het Leviraatshuwelijk (zwagerhuwelijk)
  4. Bloedwraak, bewaking van de schande

Het erfrecht is een orde, wat betekent dat het stamhoofd alles in goede banen leidt. Je leest dit terug in o.a. 2Samuël 17:23, 2Koningen 20:1 en Jesaja 38:1. In uitzonderlijke gevallen komen de dochters in beeld, omdat er geen zonen zijn. In de Torah wordt het erfrecht door JHWH beschreven in Deuteronomium 21:15-17, 25:5-10, Numeri 27:1-11.

Verlies door schande

Wanneer de oudste zoon de stam of het stamhoofd ten schande brengt, kan hij worden verbannen. Of in elk geval wordt hem dan het losserschap c.q. het eerstgeboorterecht ontnomen. Zo zie je dat Juda de positie van losser krijgt – of beter: inneemt – boven Ruben, Simeon en Levi. Dit is mede het gevolg van de wraak op de verkrachter van Dina. Hoewel hun vader nog in onderhandeling is, gebruiken Simeon en Levi geweld om de zaak te ‘wreken’. Wraak (‘naqom’) hoeft overigens niet altijd geweld te betekenen. Het kan ook betekenen dat er een prijs ter compensatie wordt betaald. In het ergste geval gaat het over bloedwraak. De achterliggende gedachte is dat er compensatie moet plaatsvinden. 


Het ‘schande brengen op de familie’ zien we ook terug in het verhaal dat Jesjoea (Jezus) vertelt over de ‘verloren zoon’. Hij brengt schande doordat hij de erfenis al opeist, terwijl zijn vader nog in leven is. In de bijbelse cultuur betekent dit dat je eigenlijk je vader dood wenst. Een verbanning (‘kesaza’) is het gevolg. Bij een verbanning wordt er aarde van de woonplaats in potten gedaan. Deze potten worden vervolgen gebroken. Als symbool dat de schandemaker verbroken is met zijn ‘oergrond’, dus met zijn clan. De schande kan alleen worden weggenomen als – zoals in deze gelijkenis – de vader de schande op zichzelf neemt. Of als de vader is overleden, ook dan ontstaat een nieuwe situatie. 

Een ander voorbeeld is de geschiedenis van Boaz, die de tweede in lijn is wat betreft erfopvolging. Toch wordt hij de losser genoemd omdat de eerste in lijn die positie niet ambieert. Deze man ziet er van af om Ruth te huwen en zijn verplichtingen op zich te nemen. Hij verwacht dat door het huwen met Ruth, zijn eigen erfdeel ten gronde zal gaan. Het wordt een schandelijke actie gevonden: hij ontwijkt zijn verplichtingen op  materiële gronden.

Een wat vreemd verhaal voor de westerse lezer is dat van Juda en Tamar. Tamar huwt de oudste zoon van Juda, met de naam Er. Als Er sterft zegt Juda tegen zijn tweede zoon, Onan, dat hij Tamar moet huwen om voor zijn overleden broer nageslacht te verwekken. Onan ziet zijn erfenis verloren gaan omdat de tak van zijn overleden broer dan het eerstgeboorterecht gaat krijgen. Hij verspilt daarom zijn zaad op de grond (hier komt het begrip onaneren vandaan). Ook Onan sterft en Tamar heeft nog steeds geen nageslacht. Juda stuurt haar daarom terug naar haar oorspronkelijke ‘huis’ om als weduwe te leven. Weliswaar heeft hij nog een derde zoon, Sela, maar hij is bang dat door Tamar wellicht ook zijn derde zoon zal sterven. Duidelijk is dat het erfrecht in deze geschiedenis een cruciale rol speelt. 

Als Juda als weduwnaar later een ‘pleziertje’ heeft bij een voor hem onbekende prostituee – de verkleedde Tamar – en hij haar niet direct kan betalen, geeft hij zijn zegelring (‘chotam’), zijn staf (‘matteh’) en zijn snoer (‘teffilim’) als onderpand. Hij geeft in feite zijn hele bezit en identiteit weg. Als blijkt dat Tamar zwanger van hem is, neemt hij zijn verantwoordelijkheid en geeft hij haar zonen en plaats in zijn clan. Hij erkent zijn falen en neemt de schande op zich.

De bijbelse hoofdlijn

Het erfrecht speelt een hoofdrol in het verhaal van God en mensen. De mens wordt geschapen als kroon op de schepping. De eerste Adam wordt aangesteld als beheerder en onderhouder, als losser, van het erfbezit van de Schepper. Door schande op de Heer te leggen, door het niet accepteren van zijn autoriteit, wordt hij verbannen en vervreemd van het erfbezit. De mens wordt slaaf en het erfbezit komt in handen van de satan. 

Maar dan komt er een andere losser: de Messias. Jesjoa, de Zoon van de oorspronkelijke Eigenaar! Hij koopt de slaven terug. Hij wordt daarom door Paulus ook wel de tweede Adam genoemd. 

Erfgenaam zijn, dat is de titel waar Paulus onder andere over spreekt. Er wordt herschapen aan het einde van onze tijden. De erfenis wordt hersteld, hetgeen wat de mens heeft laten varen, komt door Jesjoea (Jah redt), de tweede Adam/Mens, weer terug in positie.

Als je vanuit het slaaf-zijn weer kind mag worden, dan mag je ook weer de grote Nasi, Vader noemen. Je bent door Hem gekend, zo staat in Galatenbrief geschreven, Hij heeft de schande van Adam via de Go’el op Zich genomen. Dat is het thema van het verhaal van de ‘verloren zoon’. 

Daardoor werd de schande weggedaan die op de mens was gelegd, de uitbanning (kesaza). Zo konden de relaties weer hersteld worden in het oorspronkelijke. De Messias/de Losser heeft betaald. Het gaat hier niet om strafrecht maar om eigendomsrecht. De vraag blijft aan wie heeft Hij het slavengeld betaald om de mens weer los te kopen?

In eerste instantie gold dit alles voor het volk Israël, want daarvoor was Hij  gekomen, voor de verloren schapen van het huis van Israël. Maar in dit alles heeft hij ook oog voor, in dit geval, een Kananese vrouw, iemand uit een verdoemd volk, ook zij ontvangt zegen en ook haar dochter. Hierin zie je weer de contouren van Psalm 87 dat het gaat om Sion maar ook om de volkeren. Dat is een zwagerhuwelijk.

De bloedwraak neemt Hij aan het hout (paal) en in Zijn opstanding op door de gevolgen van de dood te overwinnen. Paulus verbindt dan ook de opstanding aan het Zoonschap.

Het erfbezit verwerft Hij terug door onder andere de vervulling in de geest in met name de Najaarsfeesten, waarin Zijn terugkomst centraal staat: Jom HaSjofar, Jom Kippoer en Sukkoth (Feest van de Bazuinen, Grote Verzoendag en Loofhuttenfeest). En dan volgt Zijn Koninkrijk, Zijn complete erfenis!

Daarin mag Israël delen, maar ook de vreemdeling (ger) die onder haar woont.

Israël is de Go’el van de volkeren, omdat het uit alle volkeren is gekozen en ‘oudste zoon’ wordt genoemd. En de Go’el van Israël is Jesjoea ha Massiah. Dat is de volgorde. Israël moest het licht zijn voor de volkeren (Gojim). Die volgorde is belangrijk, ook in onze denken als Gojim in het leven van vandaag. De Messias is allereerst voor Israël. De vreemdeling (ger) mag er in delen als zij zich aansluit. Dat zie je in het taalgebruik van Paulus als hij spreekt tot de heidenen in de Romeinenbrief waar hij voor het woord verzoening het woord kattalegè gebruikt, wat te maken heeft met verzoenen om in het bond te komen! In de Hebreeënbrief wordt het woord hilasmos gebruikt wat verzoening betekent IN  het verbond. 

In het Duizend-jarig rijk komen die twee samen, Israël wordt gelost en dan komen de volkeren in beeld. Nu gaat het nog steeds om individuen en niet de volken.

Dan is de erfenis weer hersteld. De Gojim als MEDE-erfgenaam (niet zonder Israël) en Israël als ERFGENAAM. De Gojim kan en gaat niet zonder Israël en Israël niet zonder haar Go’el!

Daarin speelt geloof een cruciale rol want zoals Abram ging in geloof, werd het hem tot gerechtigheid (tsedeka) gerekend. Geloof en doen dat hangt samen dat vind je weer terug in het woord Davar dat woord-daad betekent. Als je dat doet, ook als Gojim, dan wordt je een kind van Abraham en deel je in zijn verbond (beter gezegd in het verbond van JHWH met Abraham).

Het beërven van het Koninkrijk zie je terug in de volgende tekstgedeelten: Genesis 15:4, 31:14, Numeri 36:8, Jesaja 61:7, Jeremia 49:1, Ezechiël 46,16,18, Mattheüs 8:12, Lukas 18:9, Handelingen 3:25, Romeinen 8:17, Galaten 3:29, 4:7, Hebreeën 6:17, 11:9

Gebruikte literatuur:

  • De vervangingsleer voorbij, maar wat nu?; drs. Bob van Dijk 2016
  • Hoe het oude Israël leefde; Dr. R. de Vaux 1973
  • De Losser; Jaap Bönker en Simon van Groningen 2012
  • Manners and Customs;  Victor H. Matthews 1988 
  • Palestina en de Bijbel; J. Neill 1915 
  • Schaduwfeesten: Jaap Bönker en Simon van Groningen 2010
  • Social world of ancient Israel: Victor H. Matthews and Don C. Benjamin
Goed artikel? Deel 'm via social media!
Share on facebook
Facebook
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Logo Bijbelse Cultuur Stichting wit

Buttervin 42
1619 DD Andijk
06 – 159 432 00

Bank: NL44 RBRB 0917 278771
Risn: 854661785
> online doneren

nieuwsbrief ontvangen