Olijfboom op een rots

achtergrond

Israël, de Tamme Olijfboom?

Hij is even populair als omstreden: de Tamme Olijfboom als symbool van het volk Israël. Elke studie over de relatie tussen Israël en de Gemeente maakt er melding van. Want het is op deze boom dat wij, gelovigen uit de heidenen, zijn geënt volgens Romeinen 11. We zijn dus ingelijfd in Israël is de algemene gedachte. Maar is dat wel wat Paulus schrijft?

Jarenlang heb ik er mijn hoofd over gebroken. Paulus schrijft in Romeinen 11 dat er takken van de Tamme Olijf[1] zijn afgebroken en dat gelovigen uit de heidenen – takken van de Wilde Olijf – in hun plaats zijn geënt en deel hebben gekregen aan de wortel en de vettigheid van deze Tamme Olijf. Over de identiteit van de Tamme Olijf lijkt geen enkele twijfel te bestaan: daarmee wordt het volk Israël bedoeld. Met een beroep op dit tekstgedeelte wordt dan ook vaak opgeroepen tot een nederige houding ten opzichte van Israël, want wij zijn aan hen toegevoegd, niet andersom! Toch klopt er iets niet, dacht ik. Als het zo is dat wij zijn toegevoegd aan Israël, wat is de Gemeente dan? Paulus schrijft dat de Gemeente een geheimenis is “dat door de eeuwen heen verborgen is geweest in God” (Efe. 3:9). Het wordt door hem tegenover Israël geplaatst in Rom. 10:19, als hij schrijft dat de Gemeente de vervulling is van Mozes’ woorden: “Ik zal u tot jaloersheid verwekken door wat geen volk is”. De Gemeente is dus duidelijk niet Israël. Maar hoe zit het dan wel?

Een fundamentele herdefinitie?

Steeds meer begon ik te beseffen hoe indringend dit vraagstuk is. Als wij daadwerkelijk zijn ingelijfd in Israël, dan zou dit het einde betekenen van de klassiek-evangelische theologie waarmee ik ben groot geworden! Israël en de Gemeente zijn dan geen twee verschillende zaken, zoals de evangelische bedelingenleer stelt. De gereformeerde verbondsleer lijkt dan dichter bij de waarheid, als zij stelt er altijd maar één volk van God is geweest, één Kerk van alle eeuwen: Israël de Kerk van het Oude Testament en de Kerk het Israël van het Nieuwe Testament. Ja, het zou een fundamentele herdefinitie van de begrippen Kerk en Israël betekenen en mijn inzicht van de Schrift voorgoed op z’n kop zetten. Hetgeen natuurlijk geen enkel probleem is, want het kennen van de waarheid gaat mij boven alles, ook boven hetgeen mij geleerd is. Maar hoezeer ik ook naar deze gedachte begon te neigen, Gods Woord liet mij hiervoor weinig ruimte. Weliswaar ontdekte ik dat dispensationalisten[2] soms teveel nadruk leggen op de verschillen tussen Israël en de Gemeente, ik kan niet ontkennen dat deze verschillen er zijn.

Ultradispensationalisme

Toch blijkt het beeld van de Tamme Olijf in Romeinen 11 ook voor dispensationalisten erg ingewikkeld. Sommigen hebben, vanuit de gedachte dat hiermee het volk Israël wordt bedoeld, de conclusie getrokken dat Paulus het hier niet over de Gemeente heeft. Israël zou in Romeinen 11 nog steeds Gods volk zijn (zij werd pas later in de geschiedenis Lo-Ammi, Hos. 2:9) en de heidenen die toen tot geloof kwamen zouden dan inderdaad tot Israël moeten worden gerekend.[3] Het is de gedachte van het zogeheten ultradispensationalisme, dat stelt dat de Gemeente pas ontstond ná de tijd van Handelingen en dus ook na het schrijven van de Romeinenbrief. Vanuit die stellingname is het een consequente gedachte waarmee het vraagstuk lijkt te zijn opgelost, ware het niet dat de Gemeente al weldegelijk bestaat sinds de opstanding van Christus.[4]

De Bruid van Christus

Anderzijds zijn er dispensationalisten die stellen dat wij, gelovigen uit de heidenen, samen met de gelovigen uit Israël het ‘Israël van God’ vormen, het ‘ware Israël’. Samen zijn wij de Bruid van Christus. Logischerwijs achten deze gelovigen de voorschriften en beloften van het Oude Verbond, het huwelijksverbond, ook op ons van toepassing. Dit is de positie die Het Zoeklicht tegenwoordig lijkt in te nemen, getuige daarvan het populaire boek Wake Up! (2014) waarin dit standpunt wordt gepropageerd. Strikt genomen kan dit standpunt echter niet als dispensationalistisch worden beschouwd, hetgeen de auteurs van Wake Up! ook lijken te erkennen in hun boek.[5] Het gaat voorbij aan het feit dat de Gemeente een andere positie heeft dan Israël.

De heidense tien stammen

Een veel minder gehoorde opvatting is dat de Tamme Olijf de twee stammen van Israël, het huis van Juda, weerspiegeld. De Wilde Olijf staat dan voor de tien stammen die na de Babylonische ballingschap verstrooid zijn geraakt onder de heidenen. De gedachte is dat de tien stammen toch weer deel krijgen aan de vettigheid van de Tamme Olijf: de beloften aan Abraham, Izak en Jakob. In het verborgene vormen zij de basis van de Gemeente van God in de huidige genade-bedeling. Het is een interessante gedachte, die we met name tegenkomen bij het Nederlands Bijbelstudie Centrum[6]. Eén die zeker onze aandacht verdiend, want het is waar dat de Tamme Olijf in het Oude Testament specifiek het huis van Juda symboliseert: “Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten, had de Heere u als naam gegeven” (Jer. 11:16). Opmerkelijk is ook dat de boom die de heidenen voorstelt in Romeinen 11, weliswaar wild genoemd wordt, maar wél een olijfboom is. De gelijkenis met de tien stammen is dan ook niet vergezocht.[7] Toch moeten ook hier kritische kanttekeningen bij worden geplaatst. Want in vers 24 staat dat de heidenen worden afgehouwen van de Wilde Olijf en ‘tegen de natuur in’ op de Tamme Olijf worden geënt. Worden de (gelovigen uit) de tien stammen dan nu tot het huis van Juda gerekend? En is het terecht om de tien stammen te omschrijven als ‘van nature wild’? Ondanks het verschil in inzicht, lijkt één ding nooit ter discussie te staan: dat de Tamme Olijf in Romeinen 11 het volk Israël symboliseert. Niet zo vreemd, want zoals we net al hebben gezien wordt Israël als zodanig beschreven door de profeet Jeremia. Ook Hosea vergelijkt Israël met een prachtige olijfboom (Hos. 14:7). Toch zegt Paulus nergens expliciet dat hij met de Tamme Olijf op Israël doelt. Hij spreekt over de zaligheid van Israël en de heidenen en in dat verband haalt hij het beeld van de Tamme Olijf aan, maar nergens zegt hij dat deze boom specifiek Israël is. Noch staat er dat de Wilde Olijf de tien stammen zou symboliseren. Dat wil niet zeggen dat deze interpretaties onjuist zijn, maar het is goed om op te merken dat we deze één-op-één vergelijkingen nergens in deze tekst terugvinden! Duidelijk is wel dat Paulus hier beeldspraak toepast, dus laten we eens kijken hoe de Bijbel verder spreekt over de olijfboom.

Typologie

De betekenis van een bepaald symbool in de Bijbel, ontdekken we vaak in de teksten waar dit symbool voor het eerst voorkomt. Dat is, in het geval van de olijfboom, in Genesis 8. We lezen daar over de duif die met een afgebroken olijfblad in haar snavel bij Noach terugkeert. “Daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was” (vs.11). Er gloort weer hoop aan de horizon! De olijfboom is het eerste teken van leven na de zondvloed: leven na de dood! Haar belangrijkste symbolische betekenis is dan ook die van leven. Niet verwonderlijk, want de olijf staat bekend als een haast onsterfelijke boom. Er bestaan olijfbomen in Israël van meer dan duizend jaar oud! Zo zouden ook sommige olijfbomen op de Olijfberg daar al staan sinds de tijd van Christus. Hoewel dat zeer onwaarschijnlijk is – Titus liet ze in het jaar 70 allemaal omhakken[8] – is het wel een feit dat de olijfboom zich blijft uitspruiten. Dat zal de Psalmist vast in gedachten hebben gehad toen hij over de gelovige schreef: “uw kinderen zullen zijn als jonge olijfbomen rondom uw tafel” (Ps. 128:3). Hij past het beeld ook toe op de gelovige zélf: “Ik ben als een groene olijfboom in het huis van God, ik vertrouw op de liefde van God voor eeuwig en altijd” (Ps. 52:10, NBV). Zo wordt de olijfboom al van oudsher gebruikt als beeld van eeuwige leven. We vinden haar ook terug in het opmerkelijke verhaal van Jotam, over bomen die een koning zoeken: “Eens begaven de bomen zich op weg om een koning over zich te zalven en zij zeiden tot de olijfboom: wees toch koning over ons! Maar de olijfboom zeide tot hen: zou ik de vettigheid prijsgeven, welke God en mensen in mij eren, om te gaan zweven boven de bomen?” (Richt. 9:8,9). Onmiskenbaar is dit een profetische heenwijzing naar de Here Jezus, “Die, hoewel Hij in de gestalte van God was, Het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader ” (Filip. 2:6-11). Dat de Olijf een beeld van Christus is, blijkt ook uit de verdere typologie rondom deze boom. Zo wordt haar olie gebruikt om de Messias te kenmerken (Luc. 4:18). Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de Geest en het Woord (met al zijn ‘vettigheid’) in Hem is. Hetzelfde beeld wordt overigens ook gebruikt voor de gelovige (2 Kor. 1:21; 1 Joh. 2:20). Dankzij de Geest en het Woord ontvangt hij licht, zoals de olijfolie de lampen deed branden in de Tabernakel en de Tempel. Ook de manier waarop de olie wordt gewonnen, kenmerkt het leven van de gelovige en dat van Christus in het bijzonder. De olijven moeten namelijk verpletterd worden. Ja, door lijden en verdrukking heen komt de kostbare olie vrij, dat licht en leven betekent voor wie er gebruik van maken. Fascinerend is ook dat de olijfboom altijd vrucht blijft dragen en haar bladeren altijd groen blijven. Wellicht dacht Jeremia aan deze boom toen hij over de gelovige schreef: “Hij is als boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht” (Jer. 17:8).

Het leven in God

Laten we, met deze wetenschap in ons achterhoofd, eens opnieuw kijken naar de twee olijfbomen in Romeinen 11. Mijn persoonlijke indruk is dat die twee bomen daar symbool staan voor het leven. De Tamme Olijf voor het leven in en met God, de Wilde Olijf voor het leven zonder God. Het centrale thema in dit gedeelte is dan ook verzoening, oftewel: vrede met God (vs.15). Israël werd als eerste verzoend met God. Hij is de Tamme Olijf, waar Israël de eerste takken van zijn. Aan Israël werd ook in eerste instantie ‘de olie’ toevertrouwd: de Woorden Gods (Rom. 3:2). Israël kon daardoor het licht van de wereld zijn. Want laten we niet vergeten dat God in Zijn plan altijd al de gehele wereld op het oog gehad! Daarom worden er later ook nieuwe takken toegevoegd, van de Wilde Olijf: de heidenen. Samen met de al bestaande takken op de Tamme Olijf vormen zij alle gelovigen die verzoend zijn met God! Kortom, de Tamme Olijf is een beeld dat wel voornamelijk op Israël slaat[9] – omdat de Israëlieten de oudste takken zijn van deze prachtige boom – maar niet uitsluitend. De Tamme Olijf staat ook zeker niet gelijk aan Israël als volk. Het gaat in de context namelijk duidelijk om gelovigen, om hen die met God verzoend zijn. Maar niet heel het volk Israël bleek gelovig. Daarom dat er staat dat “enige van die takken” afgebroken zijn (vs.17). “Door ongeloof zijn zij afgerukt” (vs.20). Gelovigen uit de heidenen zijn daarvoor in de plaats gekomen. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, is de Gemeente wel degelijk in plaats van Israël gekomen – waarmee de profetie van Mozes in vervulling is gegaan (Rom. 10:19, vgl. Deut. 32:21). Alleen niet voorgoed, zoals de kerken eeuwenlang verkondigd hebben. Het is een tijdelijke situatie, “opdat ook zij door de ontferming die u bewezen is, ontferming zouden verkrijgen” (Rom. 11:31). Waar de Heilige Geest eerst alleen tot Israël sprak, hebben nu ook de heidenen deel gekregen aan de olie van de Tamme Olijf. “Totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan”, daarna “zal heel Israël zalig worden” (vs.25,26).

Wilde Olijf

Let wel, óók de takken van de Wilde Olijf zijn afgebroken (vs.24). Echter niet door ongeloof, maar juist door geloof. De Wilde Olijf is niet gecultiveerd en symboliseert daarmee het tegenovergestelde van ‘een boom geplant door God’ (Ps. 1:3). In tegenstelling tot de Tamme Olijf, die wel tien meter hoog kan worden, is de Wilde Olijf een uit de kluiten gewassen, laagblijvende struik, met doornige takken. Zijn kleine zwarte vruchten zijn voor de mens oneetbaar. En aan de vrucht wordt de boom gekend, zegt de Here Jezus (Mat. 12:33)! Zo doet deze Wilde Olijf, met zijn slechte vruchten en stekelige takken, ons denken aan de in zonde gevallen mens, die liever dicht bij de aarde blijft, dan ‘de dingen zoekt die boven zijn’ (Kol .3:1,2). Vandaar ook dat deze Wilde Olijf ‘van nature wild’ wordt genoemd, want de zondige mens zoekt God niet (Rom. 3:9-11). Vervolgens staat er iets heel opmerkelijks in Romeinen 11. Paulus beschrijft hoe een wilde loot wordt geënt op de Tamme Olijf. Zonder kennis van de oude landbouwcultuur, valt niet op dat hij hiermee tegen de gangbare praktijk ingaat. Normaal werden namelijk tamme loten geënt op wilde bomen[10], maar Paulus keert het om! Dat doet hij niet zonder reden. Op beeldende wijze maakt hij duidelijk dat God geen deel van ons wordt, maar juist andersom. Wij worden geënt op de Tamme Olijf, “opdat u daardoor deel zou krijgen aan de Goddelijke natuur, nadat u het verderf, dat er door de begeerte in de wereld is, ontvlucht bent” (2 Pet. 1:4). En alleen takken van de Tamme Olijf kunnen goede (groene) vruchten voortbrengen! Het lijkt geen toeval dat Paulus juist in deze brief met het voorbeeld van de twee olijfbomen komt. Hij schrijft deze brief vanuit de Griekse stad Korinthe, naar gelovigen met een Griekse achtergrond (Rom.11:13) in Rome[11]. In de Griekse cultuur werd de Wilde (!) Olijf vereerd, er stond zelfs een strenge straf op het omhakken ervan! Takken van deze boom werden geschonken aan winnaars van de Olympische Spelen en sierden de zilveren Griekse munt, de tetradrachme. De Wilde Olijf was hét symbool van de toenmalige heidense wereld, zoals de Tamme Olijf dat was voor Israël. Zeer eigenaardig is ook dat één van de grootste synagogen in Rome de naam “In de Olijf” droeg, ten tijde dat Pauus dit schreef. In Korinthe, vanwaar deze brief gestuurd is, heette de synagoge “De Olijftak”[12]. Paulus spreekt de heidense lezers van zijn brief dus aan middels een beeld uit hun eigen cultuur – hij is ‘de Grieken een Griek’ (Rom. 1:14,15; 1 Kor. 9:20) – en maakt hen duidelijk het niet gaat om de Wilde Olijf, maar de Tamme Olijf.

Een nederige houding

Als Paulus dit alles schrijft bestaat de Tamme Olijf nog grotendeels uit Joodse takken. Tegen de nieuwe, heidense takken zegt hij: “beroem u niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u” (vs. 18). De wortel verwijst naar Christus, het Zaad dat Abraham beloofd was (Gal. 3:16). ‘Het is dankzij Christus dat je deel uitmaakt van de Tamme Olijf’, lijkt Paulus hier te zeggen. Met andere woorden: ken je plaats. Wees niet hoogmoedig. Kijk niet neer op de takken die afgebroken zijn – want daar heeft Paulus het over, niet over de takken die op de Tamme Olijf zijn gebleven (Rom. 11:17-19). Helaas bewijst onze eeuwenlange kerkgeschiedenis dat wij ons weinig van deze waarschuwing hebben aangetrokken. Integendeel, wij als gelovigen uit de heidenen hebben de afgebroken Joodse takken vurig vervolgd en zijn blijkbaar vergeten dat het uit genade is dat wij in hun plaats zijn geënt. Want “ze zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan u kon worden verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen” (vs.28).

Dispensationalistische bril

Dat is de bemoediging die van Romeinen 11 uitgaat: dat God alle mensen op het oog heeft. Joden én heidenen. “God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen” (vs.32). Samen zijn zij de takken op de Tamme Olijf. Is er dan geen onderscheid tussen Israël en de Gemeente? Weldegelijk! Maar dat is niet waar het beeld van de twee olijfbomen naar mijn idee over gaat. Misschien zijn we, door onze dispensationalistische bril, geneigd om bij alles wat we lezen onderscheid te maken tussen Israël en de Gemeente. Maar de Bijbel maakt dit onderscheid niet altijd. Denk aan wat Paulus schrijft in 1 Kor. 15:22: “zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden”. Het is duidelijk dat deze ‘allen’ niet enkel de gelovigen van de huidige bedeling betreft, maar alle gelovigen van alle tijden. Het is van toepassing op Israël én de Gemeente. Zo ook het beeld van de Tamme Olijf in Romeinen 11. Het gaat daar over de verzoening met God, waarbij God ‘allen’ op het oog heeft. Daarmee overstijgt Paulus het onderscheid tussen Israël en de Gemeente. Het gaat om de eenwording met Hemzelf en die geldt zowel Israël als de Gemeente.

Opnieuw afgebroken?

Dat de Tamme Olijf óók de Gemeente betreft is voor de evangelische gelovige moeilijk te begrijpen. De reden daarvoor is gelegen in de interpretatie van Rom. 11:21,22: “Als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart. Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.” De evangelische gelovige weet zich voor eeuwig geborgen in de hand van God. Hij is verzegeld met de Heilige Geest (Efe. 1:13) en weet dat door zijn wedergeboorte zijn redding vast staat – en terecht.[13] Maar Paulus lijkt hier toch te beweren dat de wilde takken die op de Tamme Olijf zijn geënt alsnog verloren kunnen gaan? Inderdaad: dat lijkt zo, maar het staat nergens! Toegeven, het is bepaald geen gemakkelijke tekst, maar we lezen nergens dat ‘afgehouwen zijn’ gelijk staat aan ‘voor eeuwig verloren zijn’. Dat is een interpretatie, op basis waarvan de ultradispensationalisten hebben geconcludeerd dat het hier niet over de gelovigen van de huidige genadebedeling kán gaan. Die zijn immers eeuwig verzoend met God, terwijl de Israëlitische, oudtestamentische gelovigen tijdelijk verzoend werden middels de offers die telkens weer herhaald moesten worden (Heb. 9). Het is dus geen vreemde conclusie, maar wel één die gebaseerd is op de aanname dat hier wordt gesproken over ‘verloren gaan’. En dat is nog maar zeer de vraag. Ik moet denken aan wat Paulus schrijft in Filip. 2:12: “Werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven”. Een tekst die overigens vaak verkeerd wordt begrepen, want er wordt niet bedoeld dat we onze eigen redding moeten bewerkstelligen, maar dat we onze zaligheid moeten uitwerken. Het gaat er om dat we vrucht zullen dragen door Christus in ons te laten leven. “Opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld” (vs.15). Als een Tamme Olijf te midden van de Wilde Olijven! Er zijn helaas ook gelovigen die volharden in zonde en geen vrucht dragen. Een voorbeeld daarvan geeft Paulus in 1 Kor. 5. Hij geeft vervolgens het advies om zo’n persoon “over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus” (vs.5). Want op die dag zullen onze werken beoordeeld worden. “Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen” (1 Kor. 3:15). Wellicht dat we Paulus woorden zo moeten opvatten: als een vermaning tot heilig leven. Het kan ook zijn dat hij bedoeld dat op een dag bij God de maat vol is, wat de heidenen betreft. Immers, het enten vanaf de Wilde Olijf gebeurd “totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan” (Rom. 11:25). Daarna pakt God de draad met Israël weer op en zal de wereld door Hem geoordeeld worden: “De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob” (vs.26). Nee, het is geen eenvoudige tekst. Paulus eindigt dan ook met de toepasselijke woorden: “O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!” (vs.33). Over één ding is Romeinen 11 in elk geval niet onduidelijk: dat God Zich over alle mensen wil ontfermen (vs.32). Dat is het grote doel! Wat een geweldige bemoediging! Wat een geweldige God! Ja, “uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen” (vs.36).

 

Voetnoten:

[1] In andere vertalingen wordt gesproken over de edele olijfboom, ik hanteer in dit artikel de Herziene Statenvertaling, tenzij anders vermeld.

[2] Aanhangers van het dispensationalisme, oftewel de bedelingenleer.

[3] Martien Nap: Olijfboom en lichaam van Christus (AMEN, Maart 2013, p. 18).

[4] Ik ga daar in dit artikel niet verder op in, ik deel in elk geval niet de uitgangspunten van het ultradispensationalisme.

[5] Dat dit standpunt strikt genomen niet dispensationalistisch is, betekent niet automatisch dat de Verbondsleer wordt onderschreven. Wake Up! kiest voor een unieke positie, buiten de kaders van de bekende systematische theologie. Dit maakt een discussie hierover ook zeer complex. Waar zij niet strijdig is met de gereformeerde leer, is zij dat met de evangelische – en andersom. Het lijkt vooral een (inconsequente) mengelmoes te zijn van beide leringen.

[6] Ab Klein Haneveld: De 10 stammen en de Gemeente (Vlichthus brochure nr. 14, p. 16).

[7] Idem. p.16. “De takken die geënt worden op die tamme olijfboom, opdat ze vrucht zouden dragen uit die tamme olijfboom, zijn takken van een wilde olijfboom. Vast stond al dat de olijfboom in ieder geval staat voor het Joodse volk, dat ongelovig was. Ze worden ongelovig verklaard omdat zij het Evangelie gehoord hebben en afgewezen. Dus het kan alleen maar het Joodse volk zijn, want aan hen werd het Evangelie gepredikt. Ook na de opstanding van Christus. Als nu de tamme olijfboom een beeld is van de 2 stammen, dan moet de wilde olijfboom wel een beeld zijn van de 10 stammen. De gedachte is dat de 10 stammen deel krijgen aan de zegeningen van de 2 stammen en uit de 2 stammen komt inderdaad de Messias voort. De takken op die boom zijn in meerderheid takken van die andere, onvruchtbare boom, waarvan de takken alsnog vruchtbaar gemaakt worden.”

[8] Møller-Christensen, Vilh. en Jordt Jøorgensen, K.E. (1957). Plantenleven in de Bijbel. Bosch & Keuning: Baarn. Derde druk, p. 100.

[9] Zeker ten tijde dat Paulus dit schreef. De Tamme Olijf bestond toen nog voor het overgrote deel uit Israëlieten (of nog specifieker: uit Joden, want de 10-stammen van Israël waren al eerder afgehouwen). Door de eeuwen heen zijn er echter steeds meer ‘heidense takken’ aan deze boom gekomen.

[10] Møller-Christensen, Vilh. en Jordt Jøorgensen, K.E. (1957). Plantenleven in de Bijbel. Bosch & Keuning: Baarn. Derde druk, p. 105.

[11] De Romeinen hadden de Griekse cultuur voor een groot deel overgenomen. Paulus spreekt in de Romeinenbrief regelmatig over heidenen als ‘Grieken’, zoals in Rom. 1:16: “Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.” Uit zijn brieven blijkt overigens dat Paulus veel kennis gehad heeft van de Griekse cultuur.

[12] Baarsslag, D.J. (1938). Met Paulus door het Romeinsche Rijk. G.F. Callenbach: Nijkerk. p. 129

[13] Ironside, H.A. (2002). Voor eeuwig behouden. Doorn: Het Zoeklicht.

DEEL DIT ARTIKEL

De tamme olijf gaat over de verzoening met God, waarbij God ‘allen’ op het oog heeft.

andere artikelen

Op de hoogte blijven van inspirerende artikelen over de bijbelse cultuur, natuur, archeologie en symboliek?

Reageren

Geef een reactie

>
Scroll naar top