• achtergrond

Orgaandonatie in het Jodendom

Wie geen keuze laat registreren in het Donorregister, heeft bij overlijden “geen bezwaar” tegen het afstaan van organen en weefsel. Door dit nieuwe wetsvoorstel, dat onlangs met de kleinst mogelijke meerderheid werd aangenomen door de Tweede Kamer, worden alle Nederlanders gedwongen om na te denken over leven en dood én leven ná de dood. Maar hoe wordt er binnen het Jodendom eigenlijk gedacht over orgaandonatie?

Ruben Hadders

In Israël werd in 2008 een wet aangenomen die nog veel verder gaat dat het wetsvoorstel van D66-Kamerlid Pia Dijkstra. Het land kende een van de laagste donorpercentages van de westerse wereld en veel Israëlische patiënten die op de wachtlijst stonden voor transplantatie zochten hun heil in ‘orgaantoerisme’: zij gingen op zoek naar organen van vaak slecht betaalde donors in Pakistan, China of de Filippijnen. Vaak geholpen door ziektekostenverzekeraars, die hierdoor goedkoper uit waren dan bij transplantatie in eigen land.

De nieuwe wet geeft voorrang aan iedereen die zich ten minste drie jaar voordat hij op een wachtlijst voor transplantatie komt, heeft laten registreren als donor. Nog meer voorrang wordt gegeven aan degene die bij leven een nier of deel van lever heeft gedoneerd. ‘Voor wat, hoort wat’ is de achterliggende gedachte. Niet vreemd als je beseft dat organen in Israël wel veel gevraagd maar nauwelijks aangeboden werden. Een dergelijke morele ongelijkheid mag in een land dat heilig heet te zijn natuurlijk niet bestaan. De nieuwe wet poogt hier dan ook een einde aan te maken. Met succes, want de wachtlijst is gedaald met meer dan 10 procent en aan het orgaantoerisme is zo goed als een einde gekomen. In Nederland wordt Israël inmiddels vaak aangehaald als voorbeeld van hoe orgaandonatie succesvol kan worden bevorderd.

Toch is het succes in Israël niet alleen te danken aan de juridische toepassing van de Gulden Regel: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet”[1]. Het is vooral de instemming van religieuze leiders die heeft geleid tot een positievere houding ten opzichte van orgaandonatie.

Het leven is heilig

Het belangrijkste principe binnen het Judaïsme, Pikuach Nefesh, leert dat het leven heilig is en boven alles beschermd dient te worden. Werken op sabbat, eten tijdens Jom Kippoer, het is toegestaan als hierdoor een leven behouden of gered kan worden. Want, zo leren de rabbijnen, het doel van de Thora is juist leven (zie Lev. 18:5 en Ezech. 20:11). Dus als door het houden van de Thora een leven in acuut gevaar dreigt te komen, is het volledig in de geest van de Thora om het beschermen van dat leven voorrang te geven op het houden van de geboden.

Zowel voor- als tegenstanders van orgaandonatie beroepen zich op dit principe. Het is, letterlijk, een kwestie van leven óf dood binnen het Judaïsme. Een veelgestelde vraag is namelijk: wordt er niet juist een leven in gevaar gebracht door orgaandonatie? Immers, om het transplanteren van organen mogelijk te maken, moet het hart blijven tikken en moeten de longen blijven ademen. Van oudsher dé tekenen van leven – vallen deze weg dan wordt iemand als overleden beschouwd. Echter, voor het transplanteren van vitale organen, die niet zonder zuurstof kunnen, is het dan al te laat.

De dood opnieuw gedefinieerd

Om daar een oplossing voor te vinden kwam in 1968 – een jaar nadat in Zuid-Afrika voor het eerst succesvol een levend hart werd transplanteert – een groep medici, rechters en filosofen bij elkaar in Harvard. Zij kwamen tot de conclusie dat ‘hersendood’ gelijk staat aan de dood. Het hart klopt nog, het lichaam voelt nog warm aan en ademt nog, maar de persoon is al overleden: door de beademingsapparatuur wordt enkel nog een lijk geventileerd.

Door de nieuwe medische en juridische definitie van dood kon het wettelijk moment van overlijden worden aangepast en tijd worden gewonnen voor het ‘oogsten’ van organen. Maar rabbijnen kwamen hierdoor voor een grote vraag te staan: is dit alles in overeenstemming met de Joods-religieuze wetgeving, de Halacha?

In de Hebreeuwse cultuur en literatuur, waar adem en leven synoniem zijn, wordt iemand pas dood beschouwd als hij zijn laatste adem heeft uitgeblazen. Door moderne beademingsapparatuur kan dat moment echter lang, zelfs heel lang worden uitgesteld. Is de hersendode, wiens adem en hartslag nog voelbaar is, daadwerkelijk ‘heen gegaan’ of huist zijn geest nog in het aardse lichaam? En is de medische wetenschap – die van geestelijk leven geen kennis heeft – in staat om te bepalen wanneer iemand de geest gegeven heeft?

Over deze vragen bestaat binnen de Joodse gemeenschap nog altijd geen consensus. Hierdoor kan het dat door het opperrabbinaat in Israël orgaandonatie wordt gezien als een mitzva, een religieuze plicht, terwijl het opperrabbinaat in Nederland het juist in strijd acht met de Halacha. En dat niet alleen vanwege de opgeschoven definitie van dood.

Het lichaam is heilig

Er is namelijk nog een ander joods principe dat een grote speelt in de discussie rondom orgaandonatie, namelijk dat van nivul hamet – het onteren van het lichaam. De mens is Gods eigendom, geschapen naar Zijn eigen beeld  (tselem Elohim). Door overlijden wordt het lichaam geen waardeloze ‘zak vlees en botten’, het bevat nog steeds een intrinsieke heiligheid en moet daarom met het allergrootste respect behandeld worden. Volgens de joodse wetgeving moet het lichaam zo snel mogelijk – bij voorkeur dezelfde dag – en in zijn geheel worden begraven in de aarde (de mens is immers ook uit de aarde gemaakt, Gen. 2:7). [2] Hierbij wordt vaak het beeld gebruikt van zaaien.

Het verhaal gaat dat Cleopatra, de beroemde koningin van Egypte, eens aan Rabbi Meir vroeg: “Ik weet dat de doden zullen opstaan, zoals geschreven staat in Psalm 72:16: ‘de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde’, maar zullen zij naakt of gekleed herrijzen? Rabbi Meir antwoordde: “Leer van de graankorrel: het zaadje wordt naakt in de aarde begraven, maar wanneer het herrijst is het bekleed met kaf. Des te meer geldt dit voor de rechtvaardigen: zij worden gekleed begraven en zullen ook zeker bekleed herrijzen.” (Uit hoofdstuk 11 van het traktaat Sanhedrin uit de Babylonische Talmoed.)

De ‘wederopstanding des vleses’

Om dezelfde reden als dat cremeren volgens de Halacha verboden is – omdat hiermee de opstanding van de doden (Techijat haMetiem) zou worden ontkend – staan veel Joden ook wat huiverig ten opzichte van orgaandonatie. Immers, de gedachte achter veel van de rituelen en symbolen bij een begrafenis is dat, eens, bij de komst van de Messias, de graven zich zullen openen en heel Israël tot leven zal worden gewekt. Het is een van de meest fundamentele leerstellingen in zowel de Thora als de Misjna, de mondelinge Thora. De laatste van De 13 geloofsbeginselen van Maimonides, die door bijna alle Joden worden beleden.[3]

Toch lijkt de ‘wederopstanding des vleses’, die officieel ook in het christendom wordt beleden[4], nauwelijks nog een rol te spelen in de discussie rondom orgaandonatie. Bij de opstanding krijgt namelijk iedereen zijn eigen organen terug, zo geloven de meeste rabbijnen. Enkel voor chassidische (‘ultraorthodoxe’) Joden is dit nog een teer punt. Zij geloven dat het getuigenis van het geloof in de lichamelijke herrijzenis hierdoor geweld wordt aangedaan: God is nog niet klaar met het lichaam. Bovendien is het Zijn eigendom. Opmerkelijk genoeg hebben zij met het doneren van organen bij leven veel minder moeite, integendeel zelfs: in 2014 werd in de Verenigde Staten maar liefst 17% van alle nier donaties aan vreemden gedaan door chassidische Joden, terwijl zij slechts 0,2% van de bevolking uitmaken!

De discussie over orgaandonatie is voorlopig nog niet beslecht. Hoewel belangrijke Joodse organisaties hebben verklaard dat orgaandonatie niet tegen de Halacha ingaat, laten zij het eindoordeel graag aan de rabbijnen. En die hebben het er maar druk mee. Want hoe seculier de meeste Joden ook zijn: als het gaat om zaken op de grens van leven en dood, klemmen zij zich maar al te graag aan het advies van hun geestelijke leiders.

Dit artikel werd gepubliceerd in IB Magazine, november 2016

Voetnoten:

[1] Dit bekende gezegde is oorspronkelijk gebaseerd op een uitspraak in het deuterocanonieke boek Tobit: “Doe een ander niets aan dat je zelf verafschuwt” (4:15, NBV). Hetzelfde principe is ook terug te vinden in Christus’ Bergrede, al wordt het daar juist positief geformuleerd: “Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de profeten” (Matt. 7:12, NBV).

[2] Voor een beschrijving van de Joodse rituelen bij sterven en begraven, zie het artikel Rondom de dood van Alfred Esch op www.ibstudiehuis.nl.

[3] Dezelfde Maimonides schrijft dat iemand niet te snel dood moet worden verklaard, zelfs al is er geen hartslag of ademhaling meer waarneembaar: “wie de ogen van een stervende sluit, vergiet bloed. Beter is het even te wachten, misschien is hij alleen maar weggezakt” (Wetten van het Rouwen, 4:5)

[4] Artikel 11 van de Apostolische Geloofsbelijdenis

DEEL DIT ARTIKEL

Lees ook deze artikelen
Rein van hart

Rein van hart

Dat de Bijbel spreekt over reine en onreine zaken, is voor de meeste gelovigen geen geheim. De vraag is alleen: hoe gaan wij hier mee om?

Deze 3 relaties vormen de belangrijkste verhaallijnen in de Bijbel

Deze 3 relaties vormen de belangrijkste verhaallijnen in de Bijbel

In de Bijbel gaat het vooral om relaties. Ik ontdekte dat er 3 soorten relaties zijn die als type (voorbeeld) worden gebruikt om duidelijk te maken wat Gods doel is met Zijn schepping.

Wat voor een kleed? (deel 2)

Wat voor een kleed? (deel 2)

Kan je een christen herkennen aan de uitstraling van zijn gezicht? Een vervolg op het gastartikelWat voor kleed?over de kinderen van het licht.

>
Scroll naar top