• bijbelstudie

Sichem en de belofte van Kanaän

Na een lange reis slaat Abram zijn tentenkamp op bij de Eik van More, net buiten de stad Sichem in het land van van de Kanaänieten. Dit is niet zomaar een plaats: de Eik van More, met zijn imposante omvang, wordt door velen als heilig gezien. De geest van Baaäl zou in deze boom wonen. Ja, de Kanaänieten zijn een vreemd volk. Of eigenlijk is het meer een mengelmoes van verschillende nomadenstammen en hun religieuze tradities. Zij wonen hier bij elkaar, ‘in het land tussen de zee en de Jordaan’, zoals ze het zelf omschrijven. En niet zonder reden: de belangrijkste handelroutes ter wereld doorkruizen het land. De invloed op deze routes heeft verschillende stammen dan ook bijzonder rijk en machtig gemaakt.

Ruben Hadders

Het was alweer een tijdje geleden dat Abram de stem van God had gehoord. ‘Gaat u uit uw land’, had God tegen hem gezegd. ‘Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’ (Gen. 12:1-3).

Nu, nota bene vlak bij de Eik van More, één van de heiligste plaatsen in Kanaän, hoort Abram opnieuw Gods stem: ‘Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven’ (vs. 7). Het moet een vreemde gewaarwording zijn geweest. Dit land? Waar je bijna struikelt over de vele goden? Waar alles mag wat God verboden heeft? Waar in de tempels openbare orgies worden georganiseerd door Baaäl-priesters? Waar tijdens occulte samenkomsten kinderen worden geoffert en zelfs opgegeten? Het land van de machtige reuzen? Heeft de God van zijn voorvader Noach dít land op het oog?

Maar Abram vertrouwt God. Op de plaats waar tot nu toe een ‘heilige eik’ werd vereerd, bouwt hij een altaar. Het is alsof de eerste landpaal de grond in wordt geslagen van wat later in de geschiedenis ‘het heilige land Israël’ genoemd zou worden. Naar mate Abram verder door het land trekt, wordt steeds duidelijker wat de omvang is van het gebied dat God aan hem en zijn nageslacht heeft belooft. Het strekt zich uit van de rivier van Egypte tot aan de Eufraat, de grote rivier in het zuiden. Het is het grondgebied van de Kenieten, Kenezieten, Kadmonieten, Hethieten, Ferezieten, Refaïeten, Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en de Jubusieten (Gen. 15:18-21).

Abram is al twintig jaar aan het rondtrekken door Kanaän als opnieuw God aan Hem verschijnt. Ditmaal met een bijzondere mededeling: ‘Ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u, en u uitermate talrijk maken’ (Gen. 17:2). Een verbond? De almachtige schepper van hemel en aarde wil bondgenoten worden met Abram? Met een mens? Ja, dit zou de belangrijkste dag van zijn leven worden. Abram krijgt zelfs een nieuwe naam: Abraham, ‘vader van vele volken’. Koningen zouden uit hem voortkomen! God zegt: ‘Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn’ (vs. 8).

Het is nogal een belofte. De Kanaänieten zijn geducht. Wie hun grondgebied probeert te veroveren kan op een heftige oorlog rekenen. En zou dit land ooit haar ontelbare afgoden inwisselen voor de enige ware God? Een groter bewijs voor de almachtig van God is nauwelijks denkbaar.

Israëls ‘grondwet’

Generaties later. De nakomelingen van Abraham, Isaak en Jacob zijn ‘Israëlieten’ gaan heten. Zij waren slaven van farao, maar Mozes had hen uit Egypte geleid dankzij krachtige wonderen en tekenen van God. Nu staat het volk voor de bergen Ebal en Gerizim die de stad Sichem omringen. Hun leider, Jozua, leest hen de Torah voor, de woorden die God hoogstpersoonlijk aan Mozes had doorgegeven. Profetische woorden zijn het. Op de berg Gerizem leest Jozua de zegeningen voor, die Israël zou ontvangen als het gehoorzaam zou zijn aan Gods geboden. Beloften van grote welvaart en een verheven positie, boven alle andere volken der aarde. Op de berg Ebal leest hij de vervloekingen voor die het volk zouden treffen, als zij het Verbond zou verlaten. Afschrikwekkende woorden van vernieting, onvoorstelbare ellende en uiterste wanhoop.

Jozua waarschuwt nog: ‘U zult de Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God’. Maar het volk reageert: ‘Nee, wij zullen voorzeker de Heere dienen’. De Israëlieten accepteren de voorwaarden van het Verbond als hun nieuwe ‘grondwet’ en mogen zich vanaf dat moment officieel het volk van God noemen.

Op de plaats waar God aan Abraham het land Kanaän beloofde en waar Jacob de vreemde goden begroef (Gen. 35:4), onder de Eik van More, richt Jozua een grote steen op. ‘Deze steen zal voor ons getuige zijn’.

Niet lang daarna begint vanuit Sichem de verovering van het beloofde land. Zeven jaar later is ‘het land van melk en honing’ Israëlisch grondgebied. Twee eeuw lang worden de Israëlieten vervolgens geleid door Rechters, tot het volk in de 10e eeuw v.Chr. – een koning verlangt. Hoewel tegen Gods wil, wordt Israël een koninkrijk en beleeft het onder koning Salomo haar ‘gouden eeuw’. Het rijk is groter en welvarender dan ooit te voren, maar wat belangrijker is: Salomo herbouwt de Tempel, waarmee God eindelijk een vaste woonplaats krijgt te midden van Zijn volk. Heeft de belofte aan Abraham nu definitief zijn vervulling gekregen?

Al snel blijkt het tegendeel. Salomo is gestorven en zijn zoon Rehabeam wordt door de leiders van de stam Juda, de koningsstam, tot koning gekroond. Maar het volk erkent de nieuwe koning niet. In Sichem komt het volk met haar leiders bijeen. Het koninkrijk scheurt uiteen. Het volk keert zich af van God en de vervloekingen waar Jozua al voor gewaarschuwd had worden bittere realiteit.

Levend water

Sichem, zo’n vijfhonderd jaar later. Even buiten de stad, op de helling van de berg Gerizim, rust een man wat uit bij een waterput. Hij heeft niet zomaar een plek gekozen. Dit is het land dat aartsvader Jakob, de kleinzoon van Abraham, ooit had gekocht voor zijn zoon Jozef. Deze waterput is door hem gebouwd.

Dan komt er een Samaritaanse vrouw bij de put. Als de man haar om wat drinken vraagt, reageert ze geschrokken. Een Joodse man die haar om drinken vraagt? Normaal gesproken mijden Joden de Samaritanen als de pest, omdat zij de Joden niet gesteund hadden tijdens de Babylonische ballingschap en zij met andere volken waren getrouwd. Dan zegt de man: ‘Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben’ (Joh. 4:10).

De man is Jezus van Nazareth. Op de plaats waar God ooit tot Abraham sprak over het beloofde land, spreekt God opnieuw. Nu bij monde van Zijn Zoon. Er gaat een schok door de vrouw heen, als zij ontdekt dat de Man met wie zij spreekt, de langverwachtte Messias is. Uit het zaad van Abraham, uit he Zou de troon van David dan na al die eeuwen van verdrukking eindelijk weer hersteld worden?

Sichem nu

We schrijven 2011. Wat is er, bijna vijfduizend jaar later, gekomen van de belofte die God meerdere malen aan Abraham heeft gedaan? We reizen naar Sichem, de stad die zo’n cruciale rol heeft gespeeld in de geschiedenis van het beloofde land.

Makkelijk kom je er niet. De stad ligt op de Westelijke Jordaanoever en luistert tegenwoordig naar de naam Nablus. Je hebt toestemming nodig van de Israëlische autoriteiten om er te komen, maar zelfs dan kan je nog geweigerd worden bij één van de vele grenscontroles. Eén ding is duidelijk: het oude Kanaän is nog lang niet het ‘eeuwig bezit’ van Abraham ‘en zijn nageslacht’. De troon van David is nooit hersteld. Integendeel, in 70 n.Chr. werden de Israëlieten opnieuw in ballingschap genomen, ditmaal door de Romeinen, en tot op de dag van vandaag leven verreweg de meeste Israëlieten in de diaspora. Weliswaar werd in 1948, na de gruwelijke verschrikkingen van de Holocaust, de staat Israël opgericht, maar van een vervulling van de landsbelofte kan onmogelijk sprake zijn.

In Sichem bezoeken we twee belangrijke archeologische plaatsen. De eerste is een graftombe, ontdekt in 1869. Hij is van een man die vernederd en verworpen werd door zijn eigen broers, maar uiteindelijk (onder)koning van Egypte werd. Een man die het leven van zijn familie redde, zonder dat zijn familie hem herkende. Ja, dit is het graf van Jozef. Zijn levensverhaal wijst ons op dat van Christus, Die eveneens verworpen werd door Zijn eigen volk. Maar die in de toekomst, zoals de profeten hebben voorzegd, Israël zal redden uit haar benauwdheid.

De tweede archeologische plaats die we bezoeken, bevind zich even buiten de stad, op de helling van de berg Gerezim. Hier, vlak naast de reunies van een Baäl-tempel, werd in 1956 een bijzondere ontdekking gedaan: de opgerichte steen van Jozua. Hoe krachtig klinken nu de woorden van de profeet Jesaja in onze gedachten: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een struikelblok’.

Israël dacht door het houden van het Wet rechtvaardig voor God te kunnen leven, in het land dat aan hun voorvader Abraham beloofd was. De geschiedenis bewees hen het tegendeel. ‘Israël dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen’, schrijft de apostel Paulus. Waarom niet? ‘Omdat zij die niet uit geloof zochten, maar als uit werken van de wet. Want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots’. Jozua had het al gezegd: ‘U zult de Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God’.

Gelukkig, de steen van Jozua is een opgerichte steen en een opgerichte steen spreekt van hoop. Zo zeker als dat Christus leeft, zo zeker is ook de toekomst van Israël. Hij is de Levende Steen, de Hoeksteen waarop alle beloften aan Israël zijn gefundeerd. ‘Zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan’, schrijft Paulus. ‘Hij zegt niet: En aan de nageslachten, alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht; dat is Christus’.

Zo klinkt ook vandaag de dag Gods stem in Sichem, zij het zachtjes, door het getuigenis van de opgerichte steen van Jozua en door het graf van Jozef. Eens zal de Erfgenaam van Abraham deze stad voor eeuwig in bezit nemen, zoals ook de rest van het oude Kanaän. Als Christus de troon van David zal bestijgen en een nieuw verbond sluiten zal met Israël. Een verbond dat niet is gebaseerd op werken, maar op geloof. Zoals Abraham, die door geloof op weg ging naar het land dat God Hem wijzen zou. Die, hoewel hem Kanaän beloofd was, altijd een vreemdeling is gebleven in het land. ‘Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is ‘ (Hebr. 11:10). Maranatha, Jezus komt!

DEEL DIT ARTIKEL

Lees ook deze artikelen
Oud-Hebreeuwse kleding

Oud-Hebreeuwse kleding

Er zijn drie woorden die algemeen worden gebruikt voor kleding of kledingstukken: bèged, simla en salma. De laatste twee worden vaak beschouwd als varianten van hetzelfde woord, waarbij wordt aangenomen dat de ‘l’ en de ‘m’ ooit zijn omgewisseld. Beide betekenen zoiets als ‘je kleden’. Simla lijkt in Genesis 35:2 te worden gebruikt als een […]

Gastvrijheid voor de vreemdeling (deel 2)

Gastvrijheid voor de vreemdeling (deel 2)

Ruben Hadders laat zien hoe gastvrijheid eruitzag in de bijbelse cultuur en hoe de schending hiervan leidde tot een van de grootste drama’s in de geschiedenis van Israël.

Rob Bell

Wie gaat er naar de hel?

Zijn mensen allemaal onderweg naar de hel, behalve wie gelooft in Jezus Christus? Of leert de Bijbel toch at anders? En wat betekent ‘niet geloven’?

>

Shopping cart

Subtotal
Shipping and discount codes are added at checkout.
Checkout
Scroll naar top