• weblog

Als wij onze zonden belijden

We hebben het er maar moeilijk mee: zonden. We zeggen wel dat de Here Jezus ons heeft verlost van zonde en schuld, maar onze ervaring is eigenlijk anders. In werkelijkheid worstelen we bijna dagelijks met zonde, omdat het volgens ons een heilig leven in de weg staat.

Ruben Hadders

Zie daar het leven van de christen. Weinig aantrekkelijk, als je het mij vraagt. Telkens weer die strijd het goede te doen en het kwade te laten. Is dat het leven waartoe God ons geroepen heeft?

Ik geloof dat het goede nieuws, het Evangelie, juist is dat Christus voor eens en altijd heeft afgerekend met de zonde. Zelfs de zonden die wij in de toekomst nog zullen doen, zijn voor God al verleden tijd. Toch blijkt dat in de praktijk iets wat wij maar moeilijk kunnen accepteren. Want als al onze zonden, zelfs onze toekomstige, al vergeven zijn, dan kunnen wij er dus maar op los leven?

Het is dezelfde vraag als waar Paulus mee geconfronteerd werd in zijn tijd: “Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?” (Rom6:1). Een belachelijke vraag eigenlijk, want welke christen heeft nu het verlangen om ‘in de zonde te blijven’? Een christen haat de zonde! Daarom heeft hij juist Christus als Heer en Verlosser aangenomen! ‘Maar het kan toch niet zo zijn dat God ‘zomaar’ en zelfs op al voorhand al onze zonden vergeeft? Dat zou wel héél makkelijk zijn!’

Precies, dát is genade. Genade is gemakkelijk, althans voor ons, aangezien er niets is wat wij kunnen doen om het te ontvangen. We kunnen het niet op één of andere wijze afdwingen, nee, we krijgen het. Om niet. Uit genade.

Feit is dat al onze zonden vergeven zijn. Uitgewist (Hand3:19). Weggenomen (Rom11:27). Weggedragen (Heb9:28). Aan onze zonden en onze wetteloze daden “zal Ik beslist niet meer denken”, belooft de Here God (Heb10:17). Het probleem is: wij denken er nog wel aan. En wij denken zelfs dat wij er iets aan moeten doen, om heilig te kunnen zijn.

Zo komen wij bij de beroemde tekst uit 1Joh1:8-10 waar ik het in deze studie eigenlijk over wil hebben: “Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons”

‘Zie je wel’, zeggen sommigen van ons dan, ‘we zijn nog niet zonder zonden en we moeten God nog steeds om vergeving vragen.’ Toch is het opmerkelijk dat Johannes even verderop schrijft: “Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in Hem; en hij kan niet zondigen…” (1Joh3:9). Wie wel zondigt, zegt Johannes, “heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend” (vs6).

Hoe moeten we dit nu plaatsen? De wedergeboren Christen zondigt niet, zegt Johannes, maar aan het begin van zijn brief spreekt hij juist over het belijden van zonden en zegt hij dat wij onszelf misleiden als wij zeggen dat wij geen zonde hebben. En tegelijkertijd zegt hij dat wie zondigt, God eigenlijk nooit heeft gekend. Eerlijk is eerlijk, dit klinkt allemaal erg verwarrend.

Om dit alles goed te begrijpen is het raadzaam om de brief 1 Johannes een keer in zijn geheel te lezen. Dan valt ons op dat de schrijver eigenlijk begint met het vertellen van het Evangelie: “wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u…” (1Joh1:3).

Niet voor niets hebben de Statenvertalers als titel ‘het apostolisch getuigenis’ boven dit perikoop gezet. Wie de schrijver is, weten we eigenlijk niet; de brieven zijn niet ondertekend. Wel weten we dat de schrijver de Here Jezus zelf gehoord en gezien heeft (1Joh1:1) en zijn schrijfstijl doet vermoeden dat het hier om de apostel Johannes gaat. Hij is één van de leidende figuren in de synagoge te Jeruzalem. Deze brief is dan ook in eerste instantie geschreven aan deze gemeenschap. Een gemeenschap van oprechte, godvrezende Joden die nog maar pas geleden hebben ontdekt dat de Here Jezus de beloofde Messias is. Vandaar ook dat het Evangelie nadrukkelijk naar voren wordt gebracht in deze brief, maar ook zaken als ‘zonde’ en de ‘heilige levenswandel’ die van groot belang zijn in de religieuze Joodse gemeenschap.

“Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons”, vervolgt Johannes dan. Hij schrijft dit aan de nog jonge gelovigen in zijn gemeente. Toch heeft hij het hier niet over gelovigen! Iemand die beweert geen zonde te hebben, zegt daarmee geen zondaar te zijn en beweert dus het verlossingswerk van Christus niet nodig te hebben – zoals ook veel mensen in onze tijd dat denken. Zo’n iemand is misleid. In zo’n iemand woont de waarheid niet. Daarmee bedoeld Johannes het levende Woord van God, de Here Jezus Christus: Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh14:6). Wie ontkent zonde te hebben, is nog niet wedergeboren en heeft nog niet de ‘Geest van de waarheid’ (Joh15:26) ontvangen. Christus woont nog niet in zijn hart. Misschien noemt hij zichzelf wel een christen, misschien gaat hij wel naar de kerk of synagoge, maar wedergeboren is hij zeker niet.

Dan gaat Johannes verder: “Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”. Deze tekst wordt vaak gebruikt als argument dat de christen telkens weer zijn zonden zou moeten opbiechten. Ik denk of eigenlijk weet ik wel zeker dat niet dat dit de bedoeling is geweest van de apostel. Alsof je pas vergeven en gereinigd wordt, nadat je je zonden hebt opgebiecht. Maar als we onze zonden een keer niet zouden opbiechten, of vergeten op te biechten, zou God ons dan niet vergeven? Want dat zou dan de consequentie zijn. Er staat namelijk duidelijk dat Hij ons vergeeft en reinigt als wij onze zonden belijden. Dit is een voorwaarde. Het één is een gevolg van het ander. Terwijl de Bijbel op andere plaatsen juist leert dat wij als wedergeboren kinderen van God allang vergeven en gereinigd zijn. Hoe zit dat dan?

Nu wordt hier vaak heel moeilijk over gedaan, maar Johannes heeft het hier gewoon over het moment waarop wij tot geloof komen; het moment waarop wij voor God belijden (d.i. erkennen) dat wij zondaars zijn en het offer van Christus nodig hebben en God ons vervolgens vergeving schenkt en onze harten reinigt van ongerechtigheid. Dan gaat in vervulling wat Gods plan met ons is: onze zaligmaking. “Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven, en van wie de zonden bedekt zijn” (Rom4:7). Het werk wat Christus heeft gedaan aan het kruis wordt dan in ons voltooid, met als gevolg dat wij vrij tot God kunnen gaan. “Laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water” (Heb10:22). Als we zijn gereinigd van een slecht geweten – voltooide tijd! – wat valt er dan nog op te biechten?

Het gaat dus om het moment dat wij, door de Geest, overtuigd raken “van zonde, gerechtigheid en oordeel” (Joh16:8). Het is die overtuiging die maakt dat wij de verlossing in en door Christus van harte aannemen. Immers, de Geest overtuigt “de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel”. Niet de gelovigen, maar de (nog) ongelovigen! Op het moment dat wij instemmen met het getuigenis van de Geest en onze zonden aan God belijden, schenkt hij ons vergeving en reinigt hij ons van alle ongerechtigheid. Dan stappen wij over van de duisternis in het licht.

Dat het gaat over onze eerste stappen in het geloof, blijkt eens te meer uit het volgende vers in 1 Johannes: “Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en is Zijn woord niet in ons” (vs.10). Hiermee zegt Johannes eigenlijk weer hetzelfde als in vers 8. Opnieuw heeft hij het over iemand die niet wil erkennen zondaar te zijn. Diegene spreekt daarmee de Bijbel tegen en maakt God tot een leugenaar. Zo’n iemand kan onmogelijk een ware christen zijn.

Een verstoorde relatie?

Nu wordt 1Joh1:8-10 meestal op een andere manier uitgelegd, namelijk dat als wij zondigen de relatie met God wordt verstoord. Door het belijden van onze zonden zal die relatie worden hersteld en mogen we vertrouwen op de belofte dat God ons zal vergeven. ‘Vaderlijke vergeving’ wordt dit ook wel genoemd. Maar dit is wel een hele vrije interpretatie van deze tekst. Ook al is het waar dat we er op mogen vertrouwen dat God ons telkens weer vergeeft, ik geloof niet dat dit in deze tekst bedoeld wordt. Nergens lezen wij hier over het herstellen van een relatie. Bovendien, wat zou er hersteld moeten worden? God zegt Zelf dat Hij onze zonden niet meer ziet; dat wij volmaakt zijn geworden in Christus (Kol2:10); dat niets of niemand ons van Hem kan scheiden (Rom8:37-39). Iets wat volkomen goed is hoeft toch niet hersteld te worden? Dat staat er dus ook niet. Er staat dat er iets vergeven en gereinigd moet worden en dit gebeurd als wij onze zonden belijden.

Dat is het moment van onze wedergeboorte. We krijgen deel “aan de goddelijke natuur, nadat u het verderf, dat er door de begeerte in de wereld is, ontvlucht bent” (2Pet1:4). Dat verderf, dat is de zonde. We vluchten van de zonde door te belijden dat wij zondaars zijn en het gevolg is dat wij opnieuw geboren worden uit de Heilige Geest van God. We krijgen een nieuwe natuur die volmaakt is – het is namelijk de natuur van God Zelf! – en dus zonder zonde. Daarom kan Johannes schrijven: “Wie uit God geboren is, doet de zonde niet (…) hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is” (1Joh3:9 en in 1Joh5:18 zegt hij het opnieuw!)

‘Niet meer ik zondig…’

De apostel Paulus zegt hetzelfde: “Ik weet dat in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel, maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ik dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont” (Rom7:18-20).

Het klinkt bijna schizofreen: eerst zegt Paulus dat hij het kwade doet, vervolgens zegt hij dat hij dat niet doet, maar zijn zondige lichaam. Hierin zit een levensbelangrijke les voor ons christenen! Allereerst valt op dat dit alles geschreven is in de tegenwoordige tijd: de ‘grote apostel Paulus’, die nota bene meerdere malen God Zelf heeft mogen ontmoeten, blijkt ondanks zijn intieme relatie met de Heer nog altijd het kwade te doen. Dat is geen valse bescheidenheid van de apostel: hij zondigt nog steeds en geeft ook direct de reden: “Ik weet dat in mijn vlees niets goeds woont.” Hij erkent van nature een zondaar te zijn. Maar hij toont direct aan dat hij een nieuwe natuur heeft: “Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ik dat niet meer teweeg…” Paulus zegt nu letterlijk dat hij niet zondigt, maar zijn lichaam. Spreekt hij zichzelf dan tegen? Nee, hij laat zien dat Hij een nieuwe schepping is, geboren uit God. En zoals Johannes al zei: wie uit God geboren is, kan niet zondigen (1Joh3:9).

De apostel ziet zichzelf in Christus, waarin geen zonde meer is, en hij roept ons op hetzelfde te doen: “Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere” (Rom6:11).

Wat voor zin heeft het om zaken die dood zijn, die er dus niet langer zijn, op te biechten aan God? Als de zonden er niet langer zijn en wij in Christus Jezus eeuwig leven hebben ontvangen en volmaakt zijn geworden, wat moet er dan nog hersteld worden? Als de relatie met God toch weer elke keer beschadigd zou kunnen raken, door de zonden die wij doen, wat betekent het dan nog dat wij zijn “verlost van de zonde” (Rom6:18)? Dat is toch geen verlossing? Dan moeten we blijkbaar elke keer weer opnieuw verlost worden!

Feit is namelijk dat dit ellendige lichaam van ons zal blijven zondigen tot het sterft. Als zonden onze relatie met God zouden kunnen beschadigen, dan zal die relatie tot aan onze dood beschadigd blijven worden. Want tot aan onze dood zullen we blijven zondigen, dat is nu eenmaal een feit. Dus tot aan onze dood blijven we bezig die relatie in orde te maken door al onze zonden op te biechten. Terwijl die relatie eigenlijk al lang in orde is! Hoe zouden zonden tussen God en jou in kunnen staan, als God Zelf zegt dat deze zonden vergeven en weggedaan zijn en dat Hij nooit meer aan onze zonden zal denken?

Natuurlijk is het waar dat veel christenen rust ervaren, op het moment dat zij hun zonden belijden aan God. Daar is ook helemaal niets mis mee. God wil allerminst dat wij onze zonden als een juk met ons mee dragen. Dus als het jou helpt om je zonden te belijden aan God, als het helpt om jouw geweten te reinigen, prima! Maar geeft het niet veel meer rust te beseffen dat God je zonden al vergeven heeft?

Laat ik een kritische vraag stellen: hoe komt het dat we pas rust ervaren als we onze zonden beleden hebt? Is dat niet omdat we tóch ergens denken dat er iets ‘opgelost’ moet worden, om de relatie met God goed te houden en zodat Hij met ons verder kan?

Toont dit eigenlijk niet aan hoe zwak wij zijn in het vertrouwen op Gods Woord? Immers, de relatie met God is, dankzij het volbrachte werk van Christus, altijd goed. Nogmaals, wij zijn volmaakt in Christus!

Wat belijden wij eigenlijk?

Bovendien, wat belijden wij dan eigenlijk? Want laten we eerlijk zijn: we belijden niet alle zonden die wij dagelijks doen. Bewust of onbewust maken wij dus onderscheid tussen wat wij hebben genoemd de ‘kleine’ en de ‘grote zonden’. Als wij de ‘grote zonden’ opbiechten aan God, dan zit het wel weer goed. Denken wij. Maar dit onderscheid hebben wij zélf gemaakt! De Bijbel leert heel duidelijk: “wie op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden” (Jak2:10). Of onze zonden nu klein of groot zijn, doet er niet toe! Zonde is zonde. Dus als zonden daadwerkelijk tussen God en ons in zou kunnen staan, dan ook de ‘kleine zonden’. Met het belijden van je ‘grote zonden’ ben je er dan dus nog niet. Je zou het zelfs hoogmoedig kunnen noemen: wij gaan wel even bepalen wat een kleine of een grote zonde is.

Zo is er, goed bedoeld weliswaar, een manier van leven ontstaan die wel vroom lijkt, maar in werkelijkheid toch onbijbels en zelfs hypocriet te noemen is. In plaats van met Paulus te zeggen ‘ik ben het niet meer die zondigt’, blijven we maar afrekenen met de zonden die wij in ons leven zien. Is dat leven in overwinning? Ik geloof van niet. Want als we geloven dat onze zonden nog tussen God en ons in kunnen staan, dan leven wij nog steeds ‘in het vlees’, in plaats van dat wij die oude natuur, zoals Paulus adviseert, ‘voor dood houden’ (Rom6:11). God ziet onze zonden niet meer, Hij ziet ons in Christus (Heb8:12;10:17). Onze oude mens is met Hem gekruisigd, is vernietigd. We moeten anders naar onszelf gaan leren kijken: “het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.” “Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot Christus laten rusten, en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God” (Heb6:1).

Als zonden een obstakel vormen in je dagelijkse leven, dan is het goed om hier mee aan de slag te gaan. Als je wordt geplaagd door een verslaving bijvoorbeeld, dan is het goed hiervoor hulp te zoeken. Niet omdat God jou anders als ‘minder’ ziet of iets dergelijks, want Hij zal je blijven zien als Zijn perfecte kind. Maar simpelweg omdat het een belemmering voor je kan zijn in je dagelijkse wandel.

Over die wandel gesproken: betekent het nu dat wij alles maar kunnen doen, nu de relatie met God toch niet meer stuk kan? Nee, zoals Paulus schrijft: “Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” Waarom zouden wij dat überhaupt willen? Denken wij werkelijk dat we van een losbandig leven gelukkiger worden dan van een leven met God? Geloof me, dan ken je God nog niet!

“Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen” (1Kor6:12 en nogmaals in 1Kor10:23). God heeft ons vrijgemaakt van de zonde en van alle benauwende regeltjes, om Hem te kunnen dienen en goede werken te doen (Ef2:10). Het is Zijn doel dat “de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust” (2Tim3:17). Die goede werken doen we niet straks en in de hemel, maar hier en nu. Zo is ook die volmaaktheid nu al realiteit. Sterker nog, zonder die volmaaktheid zouden wij onmogelijk in staat zijn om goede werken te doen. Want “een goede boom kan geen slechte voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen” (Mat7:18). Het is precies hetzelfde als wat Johannes schrijft in zijn eerste brief.

Onze oude natuur kan niet anders dan slechte vruchten voortbrengen, want het is nu eenmaal een slechte boom. Maar dat probleem is opgelost doordat die oude natuur met Christus is gekruisigd. Weliswaar zien wij die slechte boom nog wel in ons leven, maar daarvoor geeft Paulus ons een tijdelijke, praktische oplossing: we moeten onszelf “rekenen als dood voor de zonde” (Rom6:11). Er simpelweg geen aandacht meer aan besteden. De zonden die we in ons leven zien en die we haten, daarmee is al afgerekend. Dat hoeven wij niet nog eens over te doen. Wat wij moeten doen is ons richten op dat nieuwe leven, door God meer en meer te leren kennen en door Zijn wil te zoeken en te doen. “Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk; dat is uw redelijke godsdienst. En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw denken om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is” (Rom12:1,2)

En als we dan nog eens zondigen, ook al willen wij dat eigenlijk niet, dan hoeven we niet opnieuw vergeving te vragen aan God (het mag natuurlijk wel), maar mogen Hem bovenal danken dat Hij er al mee heeft afgerekend. We hebben allang erkend dat wij zondaars zijn. Nu wordt het hoog tijd om te erkennen dat wij dat niet meer zijn. Nu zijn wij verlost, vergeven en gereinigd. Kinderen van de hemelse Vader. Volmaakt en tot elk goed werk volkomen toegerust!

Lees ook het vervolg op dit artikel: Was je voeten!

DEEL DIT ARTIKEL

Lees ook deze artikelen
De Joodse Messiasverwachting

De Joodse Messiasverwachting

Al eeuwenlang ziet het Joodse volk uit naar de komst van de Messias. Meerdere malen in de geschiedenis dachten sommigen hem gevonden te hebben.

Gastvrijheid voor de vreemdeling (deel 1)

Gastvrijheid voor de vreemdeling (deel 1)

Ruben Hadders laat zien hoe gastvrijheid eruitzag in de bijbelse cultuur en hoe de schending hiervan leidde tot een van de grootste drama’s in de geschiedenis van Israël.

Bijzonder en omstreden: het vertalen van Gods woorden

Bijzonder en omstreden: het vertalen van Gods woorden

De oorspronkelijke geschriften van de Bijbel bestaan waarschijnlijk niet meer. Maar er zijn wel enkele duizenden ‘kopieën’ van deze teksten bewaard gebleven. Dat is uniek, want van geen enkel ander boek zijn er zoveel verschillende manuscripten (lett. handschriften) en vertalingen bewaard gebleven: zo’n 5.300 van het Nieuwe Testament (N.T.) en 14.000 van het Oude Testament […]

>

Shopping cart

Subtotal
Shipping and discount codes are added at checkout.
Checkout
Scroll naar top