voetwassing

weblog

Was je voeten!

In mijn artikel Als wij onze zonden belijden schreef ik dat de Bijbel ons niet oproept tot een continu zonde belijden. God ziet ons namelijk niet meer als zondaars! Dus plaats van te belijden dat wij zondaars zijn, wordt het misschien wel eens tijd om te belijden dat wij dat nu niet meer zijn! Die boodschap deed nogal wat stof opwaaien…

Het is nogal een boodschap, dat geef ik toe. Het lijkt haast te mooi om waar te zijn. Maar het is wel waar! Niet omdat ik het zeg – je moet nooit zomaar iets van mij aannemen – maar omdat het overduidelijk in het Woord van God geschreven staat. Het is niets minder dan het Evangelie! Maar zelfs in evangelische kringen, waar dit altijd met kracht werd verkondigd, is deze boodschap aan het verwateren. Mensen willen toch altijd iets doen. We leven in een wereld waar voor niets de zon opgaat en we vinden het dan ook moeilijk om uit genade te leven.

Onlangs ontmoette ik een vrouw uit een protestantse kerk in Amersfoort en haar was opgevallen dat de Bijbel spreekt over de ‘werken der duisternis’ maar de ‘vrucht van de Geest’. Ik had er nog nooit zo bij stil gestaan, maar inderdaad, dat is de kern: dode werken – want dat zijn zonden – doe je zelf, maar om goede werken te kunnen doen, moet je ophouden zelf iets te doen en Christus in je laten werken. “Niet ik, maar Christus leeft in mij.” Een boom hoeft ook niets te doen om te groeien, zei de vrouw, hij hoeft alleen maar het levend water tot zich te nemen.

Dat willen we ook doen in deze studie. In mijn artikel Als wij onze zonden belijden heb ik geschreven over vergeving, over het feit dat wij vergeven zijn, óók van onze toekomstige zonden. Naar aanleiding daarvan kreeg ik veel vragen. Hoe zit het dan met de zonden die wij nog dagelijks doen? Hoe dan om te gaan met de zondige en onreine wereld waarin wij leven?

In dit artikel wil ik daarom focussen op het aspect reiniging. Dat is wat anders dan vergeving, ook al overlappen beide begrippen elkaar in betekenis. Vergeving zou je een vorm van reiniging kunnen noemen, maar heeft een hele specifieke betekenis. Vergeving gaat het over wegnemen, het reinigen, van een schuld. Het is vooral een juridisch begrip in de Bijbel. Je schuld wordt weggedaan – vergeven – waardoor je niet meer kan worden veroordeeld.

Als je de Bijbelteksten hebt opgezocht die ik in mijn vorige artikel heb genoemd, dan zie je dat de Bijbel duidelijk leert dat héél onze schuld is weggedaan: de zonden die wij hebben gedaan maar óók de zonden die wij nog zullen doen. Daarom heb je dus ook niet continu vergeving nodig: de hele schuld is al vergeven (lees bijv. Hebreeën 10). Reiniging daarentegen hebben we elke dag nodig, zolang onze voeten in de aardse modder staan. De Here Jezus spreekt hierover in Johannes 13:2-15, het gedeelte over de voetwassing:

Toen dan de maaltijd plaatsvond en de duivel Judas Iskariot, de zoon van Simon, al in het hart gegeven had Hem te verraden, stond Jezus, Die wist dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, op van de maaltijd, legde Zijn kleren af, nam een linnen doek en deed die om Zijn middel. Daarna goot Hij water in de waskom en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek die Hij om Zijn middel had. Zo kwam Hij bij Simon Petrus en die zei tegen Hem: Heere, wilt Ú mij de voeten wassen? Jezus antwoordde en zei tegen hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het later inzien. Petrus zei tegen Hem: U zult mijn voeten in der eeuwigheid niet wassen! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet was, hebt u geen deel met Mij. Simon Petrus zei tegen Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd. Jezus zei tegen hem: Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. Want Hij wist wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein. Toen Hij dan hun voeten gewassen had en Zijn kleren weer had aangedaan, ging Hij weer aanliggen en zei tegen hen: Ziet u in wat Ik aan u gedaan heb? U noemt Mij Meester en Heere, en u zegt het terecht, want Ik ben het. Als Ik dan, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, moet ook u elkaars voeten wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.

Het is vlak voor het Pesachfeest en de Here Jezus en Zijn discipelen zijn bij elkaar om samen een maaltijd met elkaar te hebben. Maar voor zij gaan eten, wil de Here Jezus Zijn vrienden de voeten wassen. Petrus, wiens hart vol vuur is voor zijn Rabbi, komt direct in opstand: ‘Wat? U mijn voeten wassen? Dat gaat niet gebeuren!’ Voor Petrus is het de wereld op z’n kop. Jezus is zijn Rabbi, de Zoon van God, Die laat je toch niet jouw voeten wassen? Nee, het zou omgekeerd moeten zijn: hij zou de voeten van zijn Meester moeten wassen!

Voeten werden in die tijd gezien als één van de meest onreine delen van je lichaam. Ze werden continu bevuild door het stof der aarde en ongetwijfeld zal het ook allemaal niet zo fris hebben geroken. Dus vóór Jezus met Zijn discipelen de maaltijd gaat houden, wil Hij hun voeten wassen. Een maaltijd met elkaar houden betekende in die tijd dat je gemeenschap met elkaar had, dat je verbonden bent met elkaar.

De Here Jezus gebruikt deze dagelijkse dingen – het samen eten en het wassen – om Zijn discipelen iets duidelijk te maken: voor er sprake kan zijn van verbondenheid, moeten de discipelen zich eerst reinigen. Want, zegt de Here Jezus tegen Petrus, “als ik u niet was, hebt u geen deel met Mij” (of eigenlijk: ‘aan Mij’). Daarmee doelt de Here Jezus op de reiniging van zonden. Op vergeving!

Dat is waar het in mijn vorige artikel over ging: “Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1Joh1:9). Die reiniging is door zijn bloed, want “zonder het vergieten van bloed vind er geen vergeving plaats” (Heb9:22, verwijzend naar de Tora). En dat offer was éénmalig leert Hebreeën 9 heel duidelijk! Het ene offer van de Here Jezus was genoeg om de zonden van de hele wereld te kunnen dragen. Uit te wissen. De offers in het Oude Testament konden dat nog niet, zegt Heb10:2. “Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij die de dienst (d.i. de offerdienst) verrichten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren.”

Dat is precies wat ik in mijn vorige artikel heb uitgelegd. Wij zijn voor eens en altijd gereinigd, dus dit heeft betrekking op ons! Lees het vers nog eens goed: wie voor eens en altijd gereinigd is… is zich in geen enkel opzicht meer bewust van zijn zonden! God is Zich er ook niet meer bewust van, dat staat een paar verzen later, in vers 17: “aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken”. Daarom staat er, in vers 22: “laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.”

We hoeven geen slecht geweten meer te hebben! We hebben de zekerheid van het geloof, de zekerheid dat al onze schuld is vergeven. Door onze wedergeboorte, door onze doop in water en Geest zoals de Bijbel dat ook wel omschrijft, is ons lichaam gewassen met rein water.

Dan terug naar Johannes 13. De Here Jezus zei tegen Petrus dat wie niet door Hem gewassen is, geen deel aan Hem kan hebben. Dat is wel het laatste wat Petrus wil! ‘Was dan alles maar, ook mijn handen en mijn hoofd’, zegt hij. En dan komt er een hele belangrijke uitspraak, die ik dan ook vetgedrukt heb in de tekst hierboven: “Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.”

Opmerkelijk hoe dat er staat: het is nodig dat Petrus zijn voeten wast, maar toch noemt de Here Jezus hem geheel rein. Zoals alle discipelen geheel rein blijken te zijn, behalve Judas. Die volgt de Here Jezus wel, hij beheert zelfs de financiën van de discipelen, maar kan zich toch niet helemaal toewijden. Het loopt toch allemaal wat anders dan hij had gedacht en is het niet helemaal eens met de gang van zaken. Hij hoopte, zoals veel van zijn volksgenoten, dat de Here Jezus een einde zou maken aan de Romeinse overheersing, dat Hij als koning de macht zou grijpen. Hij wil de Here Jezus in actie zien! Hij wil dat Israël weer in haar oude glorie hersteld wordt! Maar hij raakt steeds gefrustreerder, aangezien de Rabbi een heel ander plan lijkt te hebben. Hij begint steeds meer te twijfelen en komt steeds meer onder invloed van de satan. Van écht geloof lijkt – in elk geval als je deze teksten leest – niet echt sprake bij Judas. Zoals er, helaas, ook binnen het christendom veel mensen zijn die zich wel christen noemen, maar toch eigen plannen hebben en een eigen weg volgen. Zij hebben zich nooit écht volledig overgeven aan de Here Jezus, zij zijn nog niet opnieuw geboren.

Ik denk dat Judas uiteindelijk wel tot inzicht gekomen is, maar op dit moment was hij in elk geval nog niet zover. Hij was niet ‘geheel rein’ zoals de andere discipelen en moet dus nog geheel gewassen worden.

Petrus en de andere discipelen waren wel geheel rein, maar hadden wel een voetwassing nodig. De Here Jezus doelt daarmee op een heel ander soort reiniging. Het gaat nu niet om vergeving, maar om een heilige levenswandel en de reiniging die we daarbij elke dag weer nodig hebben.

Zolang we in dit lichaam leven, trekken wij als pelgrims door de woestijn van deze wereld. Die is alles behalve rein! Onze voeten komen dagelijks in aanraking met de modder van deze wereld. We zien hoererij om ons heen, porno! Ons oog brengt ons telkens weer in verleiding. We hebben kwade gedachten. We zijn zeer gehecht aan ons bezit en ons geld. Aan onze status. We klagen vaak in plaats van dat we onze zegeningen tellen en God daarvoor danken. Elke dag hebben we dus te maken met zonde en onreinheid, in vele verschillende vormen. Dus hebben we reiniging nodig! We zijn geheel rein en tegelijkertijd hebben we elke dag weer reiniging nodig!

Mijn overgrootvader, een bekend evangelist, kwam eens met het volgende voorbeeld: stel je voor dat je lekker in het meer zwemt. Je hebt het vuil van je lichaam afgezwommen en bent weer lekker fris als je uit het water stapt. Maar terwijl je over het strand naar je handdoek loopt, worden je voeten toch weer bevuild door het zand waarin je loopt. Je voeten hebben dus nog een extra reiniging nodig!

Zo is het ook met ons, wij zijn schoongewassen door het bloed van het Lam, maar onze voeten worden telkens weer besmet. Die voeten hebben natuurlijk alles te maken met onze wandel. De Here Jezus roept ons op om heilig te wandelen. Heilig wandelen betekent dat we voor en met God wandelen – we hebben continu Hem voor ogen, bij alles wat we doen en laten in het leven. We willen Hem dienen, zoeken zijn wil, willen Zijn weg gaan.

Maar ondertussen worden we dus wel besmet door de aardse modder, door onze zonden. Want feit is nu eenmaal dat ons lichaam zondigt tot het sterft. Het kan niet anders! Het is besmet door de zonde en daardoor zondigt het. Paulus zegt dan: “Ik ben het niet meer die zondigt, maar de zonde die in mij woont” (Rm7:20).

Het offer van de rode vaars

Die zonden zijn vergeven door het zoenoffer, maar voor de dagelijkse reiniging is er in de Bijbel ook een offer, waarover je leest in Numeri 19: het offer van de rode vaars. Een heel bijzonder offer, waar zelden aandacht aan wordt besteed. Ook in de Bijbel zelf lees je er niet veel over. Toch is het een belangrijk offer, ook voor ons. Want we weten dat alle offers schaduwen (beelden) zijn van een hogere werkelijkheid. Ze wijzen ons op Christus en leren ons belangrijke geestelijke lessen! Dat geldt ook bij het offer van de rode vaars.

Een vaars is een jonge koe. Een vrouwtje dus en dat is opmerkelijk, want alle andere dieroffers in de Bijbel zijn mannelijk, denk aan stieren en bokken. Maar bij dit offer wordt een vrouwelijk dier gebruikt. Waarschijnlijk vertel ik je niets nieuws al ik zeg dat het vrouwelijke in de Bijbel op de tweede plaats komt. Adam was eerst, Eva kwam als tweede. Het mannelijke komt altijd eerst, want het mannelijke verwijst naar God, verwijst naar de hemel. Het vrouwelijke verwijst naar de aarde (daarom spreken we bijvoorbeeld ook over ‘moeder aarde’), naar het lagere, naar het tijdelijke. Naar de wereld.

Dat is ook hier het geval. Dit offer is vrouwelijk en heeft alles te maken met ons tijdelijke verblijf in deze wereld. Helaas denken wij niet meer in termen van ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’, ons wordt wijs gemaakt dat alles gelijk is. Veel gelovigen hebben geen idee meer wat ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ betekent en kunnen dus ook maar moeilijk begrijpen wat de betekenis is van het feit dat hier een koe, een vrouwelijk rund dus, gebruikt wordt als offer. Om nog specifieker te zijn: een vruchtbare koe, een koe die in staat is om te kalven, om vrucht voor te brengen! Ik hoef je waarschijnlijk niet te vertellen hoe belangrijk ‘vrucht dragen’ is in de Bijbel!

Die koe moest perfect zijn – volkomen rood, zonder enig gebrek – en mocht nog nooit onder een juk zijn geweest (een juk is een houten balk dat over het dier werd gelegd om een last te kunnen dragen, zoals manden voedsel of emmers water). Die koe verwijst dus naar de Here Jezus. Hij was zonder gebrek en zonder last, Hij was namelijk zondeloos. Hij was niet, zoals wij, belast met de zonde van Adam (dat daarom ook wel de erfzonde wordt genoemd). Hij is namelijk niet verwekt door een mens, maar door de Heilige Geest. Daarom is het zo belangrijk dat Hij uit een maagd geboren is. Hij was zonder gebrek. Zondeloos. Volmaakt!

Afijn, die koe wordt geofferd. Niet door de hogepriester Aäron, maar door zijn zoon Eleazar. Ook dat is opmerkelijk, want alle offers werden immers verzorgd door de hogepriester. Maar niet dit offer. Dit offer wordt gedaan door zijn zoon.

Opnieuw gaat het hier om de tweede. Niet de eerste, maar de tweede. Het is misschien wat moeilijk te vatten, maar dit verwijst naar de Here Jezus in Zijn opstanding. De andere offers gaan over de Here Jezus in Zijn lijden en sterven op aarde. Dit offer gaat over Zijn opstanding uit de dood. Over het nieuwe leven! Dus niet over de geboorte, maar de wedergeboorte. Het ‘tweede’ leven, zou je kunnen zeggen.

Eleazar moet de koe buiten het kamp brengen, de woestijn in. Israël is namelijk nog onderweg van Egypte naar het beloofde land, naar Kanaän, en heeft een tentenkamp opgeslagen in de woestijn. Het offer heeft dan ook alles te maken met de tijd dat het volk in de woestijn is. Want eenmaal in het beloofde land, lezen we niets meer over het offer van de rode vaars.

Nadat de koe geslacht is – hoe en door wie maakt allemaal niet uit, in tegenstelling tot bij de andere offers – wordt het bloed besprenkeld voor de ingang van de tent der samenkomst. Het klinkt allemaal wat luguber, maar er wordt als het ware een rode loper van bloed neergelegd. De weg naar binnen, naar het heiligdom, wordt bepaald door het bloed van de koe.

Zo wordt ook onze weg bepaald door het bloed van de Here Jezus. Wij worden geacht zijn weg te gaan. Elke ander weg loopt dood, is dus zonde. Want zonde betekent: het doel missen. Ons doel is God. Wij gaan niet de weg van de goddelozen, van de zondaars zoals Psalm 1 schrijft, maar van de rechtvaardigen die vreugde vinden in Zijn Wet.

Nadat het bloed is uitgesprenkeld voor de tent der samenkomst, wordt de vaars volledig verbrand – een beeld van volledige toewijding. En, staat er dan, “de priester moet cederhout, hysop en karmozijn nemen, en moet dat midden in de brandende koe werpen” (Num19:6).

Cederhout komt van de cederboom, een kolossale boom! Het duurt minstens vijftig jaar voor zo’n boom volwassen is! De hysop daarentegen is een heel klein plantje, zo klein dat het kan groeien in de spleet van een muur. Samen vormen zij een beeld van het grootste en het kleinste: alles moet verteerd worden. Alles in ons leven – de grote én de kleine dingen – horen we te offeren aan Christus. Dat betekent simpelweg dat we alles in ons leven ondergeschikt maken aan Zijn wil. “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde”, zoals de Here Jezus. Of zoals Paulus schrijft: “Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.” In de grote en de kleine dingen zoeken naar de wil van God, dát is wat heiligmaking is.

Het cederhout en de hysop gaan in het vuur. Samen met karmozijn, met scharlaken. Dat is de kleur van bloed, de kleur van verzoening. “Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol” (Jes1:18). Maar scharlaken is ook een beeld van de wereldse heerlijkheid. In Openbaring lezen wij over de vrouw op het beest, die bekleed is met scharlaken en ook op een scharlakenrood beest zit. Ze heeft allemaal kostbare sierraden om zich heen en op haar hoofd staat ‘Babylon’. Scharlaken is hier de kleur van de wereld met al haar begeerlijkheid. Ook dat moet dus in het vuur geworpen worden. Als gelovige neem je afstand van deze wereld. Van een wereldburger wordt je een hemelburger. De aarde zie je niet langer als je thuis. Nee, je bent nu een vreemdeling op aarde geworden. Een bijwoner. Je bent getrokken “uit deze tegenwoordige boze wereld”. Je bent letterlijk wereldvreemd geworden. Je verzameld geen aardse schatten, nee, jouw schatten liggen in de hemel. Je oog is naar boven gericht!

Daar gaat het om! Dat is wat rein maken betekent. Je ontdoet je van dingen die je van het grote doel afhouden en je vult je met iets anders, met levend water. Daarover lezen we in vers 17 van Numeri 19: “Voor zo’n onreine moet men wat van de as van het dier dat voor de ontzondiging verbrand is, nemen, en daarop in een vat bronwater gieten.” Letterlijk staat er: levend water. Kortom, de as van het offerdier, dat omwille van de onreinheid van de Israëlieten werd geslacht, wordt in het levende water gedoopt – en zoals je weet is levend water een beeld van het Woord van God!

Daarmee kom ik bij het antwoord op de vraag: hoe om te gaan met zonden in ons leven? Hoe kunnen we rein en heilig blijven voor God? Het antwoord is: door je te laten besprenkelen met het levende water. Door je onder te dompelen in het Woord van God. Door telkens weer Zijn wil te zoeken. Door telkens weer terug te gaan naar Zijn Woord, naar Zijn Tora. Dat vertalen wij met Wet, maar letterlijk betekent het ‘onderwijzing’. Gods Woord wijst ons op de weg die wij moeten gaan. “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”, staat er in Psalm 119:105. Eigenlijk zou je het hele gedeelte eens voor jezelf moeten lezen, want in deze Psalm staat het allemaal. Deze psalm laat zien hoe wij gereinigd worden door het Woord. Want reiniging hebben we nodig in deze vijandige wereld. Zolang we in deze wereld wandelen, worden we onrein. In vers 11 van Numeri 19 lezen we: “Wie een dode, enig dood lichaam van een mens aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn”.

Het klinkt misschien wat vreemd, maar deze wereld bestaat uit doden. Ongelovigen – en dat is wat de wereld is: goddeloos en ongelovig – worden niet gezien als levend maar als dood. “Dood in zonde en misdaden” (Ef2:1). En zoals het spreekwoord dan zegt: waar je mee omgaat, wordt je mee besmet. Begrijp mij goed, daarmee zeg ik niet dat je niet met ongelovigen om zou moeten gaan, dat staat nergens in de Bijbel. Dan krijg je weer een godsdienst van ‘raakt niet, smaakt niet’, zoals Paulus dat noemt. Een godsdienst met allerlei regels die niet in de Bijbel staan, maar die bedacht zijn door mensen die bang zijn om onrein te worden. Dat hoeft dus niet. Bovendien, onrein wordt je toch wel.

We zijn weliswaar niet van deze wereld, maar we leven wel in deze wereld. In de woestijn! Ook daar heeft God een bedoeling mee. Want vergeet niet: juist in de woestijn openbaarde God Zichzelf aan Israël! Zo wil God Zichzelf ook aan ons bekend maken, tijdens onze woestijnreis door het leven. Hij wil je rein maken. Reinigen van kwade gedachten. Reinigen van zorgen. Reinigen van hebzucht.

Pas geleden stonden er weer enorme rijen voor de Apple Stores vanwege de nieuwe iPhone 6. Want ‘moet je eens zien wat dat ding kan’. Ja, het is een fantastisch apparaat, maar wat zou het mooi zijn als we net zo enthousiast zouden worden van het Woord van God. Want moet je eens zien wat voor kracht er zit in het Woord! Het bevrijd, het maakt levend en… het reinigt. Christus reinigt Zijn gemeente “met het waterbad van het Woord” (Ef5:26).

De bedoeling is dat jij je gaat voeden met het brood en het water des levens. Met het Woord van God. Dat betekent niet dat je niet meer zult zondigen of dat je niet meer onrein zult worden. Dat zal blijven gebeuren tot je deze wereld verlaat, tot je woestijnreis ten einde is gekomen. Het is niet de bedoeling dat je daar tegen gaat vechten, dat je uit alle macht gaat proberen af te rekenen met de zonde. Dat kun je helemaal niet! Als dat zou kunnen, dat had Christus niet hoeven sterven! Ook kun je niet voorkomen dat je onrein wordt.

Wat dan wel? Laat je besprenkelen met het levende water! Als je hebt gezondigd: dank God dat Hij je vergeven heeft! Distantieer je ervan. Zoals Paulus die zei: “Als ik zondig ben ik het niet meer die dat doe, maar de zonde die in mij woont.” Hij veroordeeld de zonde, hij praat het niet goed, maar hij besteed er verder geen aandacht aan. Hij houdt het voor dood, staat er letterlijk. Zijn aandacht besteed hij aan het Woord van God. Dat Woord maakt hem duidelijk dat hij niet opnieuw om vergeving hoeft te vragen, die heeft hij al. Maar het brengt hem wel weer op het juiste pad. Via Facebook gaf iemand mij het voorbeeld van de verloren zoon. Die hoefde ook niet eerst om vergeving te vragen, toen hij terug kwam van zijn reis door de wereld (dat bleek een doodlopende weg). Nee, Zijn vader stond hem met open armen te ontvangen. Zijn liefde voor zijn zoon was onvoorwaardelijk. Maar hij moest wel zelf de keuze maken om terug te keren. Eenmaal bij de vader zal hij weinig aandacht meer hebben besteed aan wereldse zaken.

Dus als je zondigt: richt je op het Woord van God. Als je bent afgeleid door de begeerlijkheden van deze wereld, richt je aandacht dan opnieuw op Zijn Woord. Als je met het Woord bezig bent, als je Zijn wil zoekt, dan zal je automatisch minder aandacht hebben voor andere zaken. Laat Zijn Woord je veranderen naar Zijn beeld, want dat is het grote doel!

Je hoeft niet bang te zijn voor zonde en onreinheid in je leven. God voorzag in het offer van de rode vaars. Hij voorzag in het offer van Christus. Vanuit dat besef, vanuit die rust, mag je leven! Ja, rust – dat is wat je zult ervaren als je gaat beseffen hoe God jou ziet: heilig, rein, volmaakt! “U bent volmaakt geworden in Hem Die het hoofd is van iedere overheid en macht” (Kol2:10). Je bent gedoopt in Christus. In Zijn dood én in Zijn opstanding. Je bent een nieuwe schepping geworden, een kind van God.

“Wie gebaad heeft, heeft slechts nodig dat zijn voeten worden gewassen, want hij is al geheel rein” (Joh3:10).

Laat je voeten wassen! Meer heb je echt niet nodig. En ga dan op weg. Durf te leven! Wij hebben geen geest gekregen van angst, maar van vrijheid. Ga op weg, maar vergeet niet elke dag je voeten te wassen. Of zoals een oud kinderlied dat simpel zegt: lees je Bijbel en bidt elke dag!

DEEL DIT ARTIKEL

We hoeven geen slecht geweten meer te hebben! We hebben de zekerheid van het geloof, de zekerheid dat al onze schuld is vergeven.

andere artikelen

Op de hoogte blijven van inspirerende artikelen over de bijbelse cultuur, natuur, archeologie en symboliek?

Reageren

Geef een reactie

>
Scroll naar top